Alle berichten van Gast Columnist

Over Gast Columnist

Regelmatig vragen we gastauteurs om een collumn te schrijven. Wilt u ook deel uit maken van dit illustere gezelschap, mail ons dan met uw voorstel of artikel op info@haagsecolumnisten.nl.

CORONA-GEKTE?

 

Yes! De collega van Gerrie Eickhof bij het NOS-journaal, Edwin van den Berg, mag verslag doen van breaking news in coronatijden: er is aan de Nederlandse universiteit een antistof gevonden tegen het virus. Het is zaterdag, en Edwin tijgt met een cameraploeg naar het laboratorium van de Universiteit Utrecht. Als dat geen mooi item gaat worden! Setting: een medisch-biologisch laboratorium waar onderzoekers af en aan hollen met buisjes en bakjes en interessante dingen onder microscopen leggen…

 

Want zo denken u en ik, en waarschijnlijk Edwin ook: over de hele wereld zijn onderzoekers op dit moment koortsachtig (!) in de weer om een middel tegen corona te vinden. Eeuwige dank en veel geld uit patenten vallen de ontdekker ten deel, misschien wel een Nobelprijs. Moordende competitie, drukte van jewelste…

 

Bij de ingang van de medische faculteit treft Edwin de onderzoeker met de sleutel van de toegang. Erachter een verlaten laboratorium. De camera snort en Edwin probeert er nog iets  van te maken: “Op deze plek, vandaag zo rustig, heerste gisteren, vrijdag, een enorme bedrijvigheid. Het is hier dat Nederlandse onderzoekers een antistof hebben ontdekt tegen het coronavirus.”

 

Inmiddels weten we: niet alleen halen onderzoekers geen nachten of weekends door om een middel tegen corona te ontdekken, nee, deze doorbraak in de wetenschap op het moment dat het coronavirus hard toeslaat in de wereld lag al een jaar in de diepvries. En die bedrijvigheid in het laboratorium op vrijdag zag er waarschijnlijk als volgt uit: een student-assistent heeft de opdracht gekregen het bewuste pakketje met antistof op te sporen en staan gebogen over een geopende diepvrieskist. De onderzoeker zit achter zijn laptop en legt de laatste hand aan een inderhaast bijeengeharkt wetenschappelijke artikel. De voorlichter van de universiteit geeft de primeur morgen, zaterdag, aan het NOS-journaal voor een mooi item.

 

Marieke Bolle

Drastische oplossingen

 

Nederland telt 40.000 daklozen. Twee keer zo veel als tien jaar geleden. En iedere dakloze heeft natuurlijk zijn eigen verhaal, waarin veel botte pech voorkomt en dubbeltjes die net de verkeerde kant opvielen. Maar er zijn ook trends en maatschappelijke ontwikkelingen die er voor zorgen dat mensen dakloos worden. Of blijven. Het tekort aan betaalbare woningen, bijvoorbeeld.

 

Dus moeten er meer woningen worden gebouwd. Maar als die woningen vervolgens in particulier bezit komen en al die grotere en kleinere vastgoedspeculanten, huisjesmelkers en airbnb-egoïsten zich er meester van maken, zijn we geen stap opgeschoten. Er zijn ‘ondernemers’ die nieuwe appartementen in onze binnensteden opkopen – met zo’n lekkere laag rentende en zwaar door de overheid gesubsidieerde hypotheek – om die vervolgens via airbnb lucratief te verhuren aan toeristen. Er zijn speculanten die nieuwe woningen opkopen en meteen weer in de verkoop doen voor veel hogere prijzen. Zodat de volgende koper alleen wil verhuren aan grif betalende expats. En zo zíjn graantje meepikt van de overspannen woningmarkt.

Er zijn mensen die rijk zijn geworden van de overwaarde van hun eerste huis, een volgend huis kopen en daar vier of vijf huurders in uitbuiten. Of tien Polen, dan word je sneller rijk. Maar vervolgens wel bezwaar maken tegen nieuwbouwplannen op een groenstrookje ergens bij hen in de buurt. Wie heeft toch in godsnaam ooit bedacht om de erfpacht af te schaffen? Daarmee kon de gemeente tenminste nog een deel van de meerwaarde van het eigen huizenbezit afromen.

 

Al dit gedrag drijft de prijzen van woningen alleen maar verder op. En daarmee raakt de betaalbare woning voor een dakloze steeds verder uit beeld. Dus huizen bijbouwen moet, maar dan alleen huizen die worden verhuurd aan de bewoners, of desnoods verkocht, maar ook dan uitsluitend voor eigen bewoning. En als het gaat om koopwoningen, graag binnen een systeem van erfpacht. Zodat de gemeente die veel geld stopt in het opknappen van een buurt, ook wat terugziet van die investering en niet alleen huisjesmelkers en vastgoedboeren goed boeren.

 

Marieke Bolle

 

Requiem voor de cassière  

Consumentencolumnist (van de krant en de tv) Teun van de Keuken sprak zijn mede-consumenten laatst vermanend toe: zelfscannen in de supermarkt is uitsluitend voor mensen die tijdens hun ronde langs de schappen gewapend met scanpistool ieder geselecteerd product terstond scannen, in hun boodschappentas doen en tenslotte bij de zelfscankassa alleen nog het totaalbedrag hoeven voldoen. Zo ontstaan er geen rijen. En dat is het ultieme doel van het zelfscannen. Volgens onze consumentencolumnist.

 

Nu was de regel – al ver vóór de zelfscan – dat als er drie klanten in de rij stonden een volgende kassa openging. Dat werkte – de boodschappenspits daargelaten – doorgaans prima. Dus ‘rijen voor de kassa’ was niet het probleem dat het zelfscannen moest oplossen. Wat wel? Duh, de winstmarges van de bedrijven. En winstmarges kun je op twee manieren vergroten: door de opbrengsten te verhogen (duurdere producten; de concurrentie kijkt handenwrijvend toe) of de kosten verlagen: bijvoorbeeld door cassières weg te bezuinigen uit het systeem. Weer een baankans verkeken voor jongeren voor wie verder misschien niet zo heel veel plekken op de arbeidsmarkt overblijven.

 

Dus daar staat de goedwillende consument bij de ingang van de supermarkt. Hij kijkt naar de kassa’s met echte mensen erachter en de zelfscankassa’s en schat in: overal ongeveer even druk. Geen pistool dus, want daarmee is je keuze verkeken, maar boodschappen inladen in het mandje en naar de kassa als de mevrouw erachter op je zit te wachten. En door naar de zelfscan als het toch drukker bij de echte cassière is geworden. Dan maar zelf die boodschappen een voor een scannen.

 

En misschien is de meest sociale consument nog wel de consument die helemaal niet alle opties openhoudt, maar tevoren, welbewust, kiest voor baanbehoud van die aardige jongens en meisjes die je aan de ouderwetse kassa treft.

 

Marieke Bolle

Nederlands

 

Behalve mijn gezin heb ik in mijn leven niet veel verdedigd. Misschien past zoiets bij een migrant, de filosofie van ‘het zal wel’, een van mijn favoriete formuleringen in het Nederlands. Taal, vrienden, werk en land heb ik achtergelaten, wat nog verdedigen?

En toch, het leven verrast voortdurend. En over mijn laatste verrassing wil ik hier vertellen.

Ik zat onlangs in de trein van Amsterdam naar Den Haag, zoals zo vaak. En zoals zo vaak zat ik op mijn laptop te werken. Woensdagmiddag rond drie uur is de trein bijna leeg. Vanuit een ooghoek zag ik een jong stel binnenkomen. Schoonheid en lelijkheid vallen op; ik zag meteen dat zij knap waren. En Nederlands.

Nadat ze voor me waren gaan zitten, lukte het typen niet meer, ineens was het alsof ik op een bootje op de oceaan zat. De jonge goden voor mij zaten op elkaar, niet naast elkaar, en waren nogal wild. Even heb ik me afgevraagd of ik het woord ‘droogneuken’ hier wel mag gebruiken, maar dat is wat zij aan het doen waren. Ik twijfel eigenlijk alleen over het woorddeel ‘droog’. Met gêne zei ik dat ik het nogal onbeschoft vond en dat ik door hun geneuk niet kon typen. Het tweede deel begrepen ze, het eerste deel, mijn mening, begrepen ze niet. Waarom ik me met hen bemoeide, was hun reactie. Ja, waarom? “Misschien zit je in een verkeerde trein en in een verkeerd land,” zei de jongen, terwijl het speeksel van zijn vriendin uit zijn mondhoeken drupte.

Het eerste deel begreep ik ook, maar het tweede, o, het tweede niet, vandaag nog steeds niet, lieve mensen. Want bij het horen van ‘verkeerd land’ begon mijn zigeunerbloed te koken. En ja, vervolgens ben ik tekeergegaan. Uit mijn dak. Ik ontplofte en deed zoals ik nog nooit in het openbaar had gedaan. Ik hoor mezelf nog steeds! Ik trilde van woede en schreeuwde als een gek. Ja, u kunt van mij denken wat u wilt, maar: het was de eerste keer in veertien jaar in Nederland dat ik mijn nieuwe identiteit verdedigde. Ik verdedigde het Nederlands-zijn, mijn recht om hier te zijn. Ja, in het openbaar, dat is pas verdedigen. Ja, tegen twee Nederlanders die het argument gebruikten dat ik hier niets te zoeken zou hebben. Waarop ze zich baseerden? Mijn uiterlijk, mijn accent. Mijn temperament, misschien. Want ze noemden me gek en vertrokken naar een andere wagon.

Goed. En goed van mij. Ik kon eigenlijk wel huilen! Maar ik heb niet gehuild. Het leven was vorig jaar moeilijk en de naweeën duren langer dan ik had verwacht, maar ik ben hier en ik ben niet van plan om weg te gaan! Niet eens uit mijn wagon. Ik ben Nederlands.

 

Mira Feticu

 

De groeten

Groeten doe je bekenden, als je ze tegenkomt. Dat is logisch en goed, en dat doet iedereen overal. Ter wereld, vermoed ik. De enigen die daar wel eens de fout mee ingaan, zijn mensen die slecht zien of hun bril niet op hebben, en die vergeven we. Toch? Interessanter in deze categorie groeten zijn de mensen die elkaar níet groeten: buren die ruzie met elkaar hebben, familieleden die ‘gebrouilleerd’ zijn. Brouille is een mooi ‘Couperus’-woord voor ruzie. Zijn Kleine Zielen zijn niet voor niets ‘klein’: ze hebben brouilles met diegenen die niet voldoen aan hun morele standaard. Couperus zelf wist hoe het werkte: hij wist dat hij homoseksueel was en trouwde met een mevrouw. Voor de buitenwereld.

 

Maar groeten houdt niet op bij bekenden. Motorrijders groeten elkaar- solidariteit, groepsgevoel. Hardlopers groetten elkaar, toen er nog niet zo veel waren. Bij mijn rondje over twee bruggen in Rotterdam – Erasmusbrug en Willemsbrug- groet ik bijna niemand meer: ik kan wel aan de gang blijven. Bovendien groeten er te veel niet terug. Daar groet je pas als je elkaar voor de tweede keer tegemoet loopt.

 

Waar we elkaar ook groeten: wandelend in de natuur. Zodra je de bebouwde kom uitloopt en het natuurgebied in, groet je elkaar. En dat heeft wel wat: vertrouwen, solidariteit. Zodra je het duinpad weer uitloopt is dat ook voorbij, trouwens. Maar grappig: fietsers groet je dan weer niet op dat natuurpad. Waarom niet? Geen idee. Wij wandelaars solidariseren met elkaar. In Drenthe, waar ik regelmatig uit wandelen en fietsen ga, groeten fietsers elkaar ook. Buiten de bebouwde kom wel te verstaan, daarbinnen niet.

 

Ik ben vóór méér groeten: we drukken er vertrouwen en solidariteit mee uit. Niet voor niets – die was ik nog vergeten – groeten we als we elkaar in donkere steegjes tegenkomen.

 

Marieke Bolle