Alle berichten van Hans Muiderman

Over Hans Muiderman

Hans Muiderman werkte lange tijd op het raakvlak van kunst en onderwijs. Hij was tot 2004 directeur van het Koorenhuis in Den Haag. Als auteur en redacteur was het betrokken bij vele publicaties op het gebied van kunstonderwijs. Nu is hij schrijver, dichter en columnist. In 2013 verscheen zijn debuutroman Souvenir Utopia en onlangs zijn verhalenbundel Ik ben hier geboren.

Onmiddellijk

 

Het zal uit ons taalgebruik verdwijnen. Ik geef het nog een jaar of tien: het woord ‘onmiddellijk’. Met twee keer een ‘d’ en tweemaal een ‘l’, leerde ik als kind.  ‘Onmiddellijk’ is straks zó doodgewoon, dat we wel zonder kunnen.

 

Het zinnetje ‘per ommegaande een reactie svp’ klinkt als vooroorlogs. De betekenis daarvan vatten we nu samen in een uitroepteken. Een eigen mening moet onmiddellijk gegeven worden, de reactie daarop van een ander zo mogelijk nog sneller. Tijd nemen om na  te denken is een zwaktebod. Een gesprek onder leiding van Matthijs van Nieuwkerk draagt het karakter van een wedloop. Bij opinies over ons strafrecht klinkt steeds vaker het pleidooi voor ‘lik op stuk.’

 

De politicus achter het katheder kijkt, terwijl hij staat te praten, met een schuin oog naar het scherm van zijn mobiel. Voordat hij is uitgesproken leest hij de eerste tweets over wat hij zonet beweerde. De omloopsnelheid van de eigen mening is zo hoog geworden dat de metafoor daarvoor ontleend wordt aan explosies: ‘Twitter ontploft.’ Een moment van zwijgen wordt ‘wegkijken’ genoemd en als ik niet direct een eigen mening heb, ben ik vast en zeker ‘politiek correct.’

 

Zo mijmer ik als ik boodschappen doe bij de supermarkt op het plein. Een jongetje van een jaar of vier heeft de sinaasappelpersmachine ontdekt. Hij weet, zo te zien, alle knoppen te bedienen. Alleen nu nog een fles onder het kraantje, dat heeft hij over het hoofd gezien. Een man, zijn vader vermoed ik, roept vanachter het vak met pastasauzen: ‘Freek, wil je daar onmiddellijk mee stoppen!’ Het kind heeft nu de kraan ontdekt. ‘Je hebt mij toch gehoord! Ik zeg dat je on-mid-del-lijk moet stoppen!!’ herhaalt de vader. Kleine Freek heeft nu wat restjes vruchtvlees in zijn haar. ‘Onmiddellijk’ dat werkt niet meer bij hem. De vader verheft zijn stem. ‘En wel nú!!!’ schreeuwt hij. Het galmt door de winkel. Het kind stopt, niet van harte.

Schreeuwen. Stemverheffing. Ben benieuwd naar de toekomst van die woorden.

 

www.hansmuiderman.nl

 

 

 

Oorlogstaal

 

 Taal schiet altijd te kort. De politicus weet dit als geen ander en heeft er zijn vak van gemaakt om dit euvel te verdoezelen. Hoe groter ons verdriet en onze schrik over wat is aangericht, des te grootser moet het antwoord van de taal zijn. De taal van Hollande vertegenwoordigt niet in eerste instantie een gemoedstoestand maar beoogt vooral een effect. De taal moet aankomen, raken. Net als Bush dat deed na 9/11. We moeten laten zien dat we ferm zijn. Ten aanval! Ik verklaar de oorlog. We jagen ze op.

Van ferme taal worden de mensen rustig want de indruk wordt gewekt dat we alles nog in de hand hebben.

Stel dat president Hollande ‘vrede!’ had geroepen en ‘we moeten meer de wijken in want waar armoe is, is een kiem voor terrorisme.’ En stel dat hij dit gezegd had met tranen in zijn ogen. De partij van Marie le Pen zou in de nacht van 13 op 14 oktober verdriedubbeld zijn.

En ook daarom is taal de sluier die hangt voor wat we werkelijk bedoelen. De taal van de president is een afleidingsmanoeuvre. Misschien kan hij niet anders.

In de periode dat we nog als halve dieren leefden was er nog geen taal, wel was er ritme en melodie. Nu worden er mensen, niet alleen in Parijs maar ook in Bagdad en Beiroet, belaagd en gedood door halve dieren. Ten oorlog roepen we als antwoord. Misschien is het beter te gaan zingen. Zacht, mooi, samen. Niet schreeuwen en geen strijdliederen svp.

Bietje

 

Riga is een stad met allure, een klein Parijs. De resultaten van ambitieuze herstelplannen bepalen het beeld van het centrum. Jonge mensen bevolken de terrassen. Ik kan mij niet herinneren zoveel dure auto’s bij elkaar gezien te hebben. Ook aan de achterkant van het station rolt het geld. In het vernieuwde centrum zijn het cheques en bankbiljetten, maar hier in de enorme markthal zijn het de munten. Een sfeer alsof ik een Egyptische Bazaar in stap.

 

Bij de tramhalte zie ik vrouwen met hoofddoeken, mannen met Lenin-petten en daaronder platte Russische gezichten. Met goedgevulde plastic tassen veroveren ze de tram die een moment later bomvol is en krakend in de bocht verdwijnt. Maar als ik na een paar minuten weer naar die halte kijk is het al bijna net zo druk.

Ik raak niet uitgekeken. Verder lezen

De lange en de kleine

 

 

Een restruimte in een buitenwijk van Tallinn. Hiervandaan kan ik met de bus de hele wereld over, lijkt het. Sint Petersburg, Berlijn, Minsk, Warschau lees ik op de halteborden. Treinen bestaan hier niet. Naast mij op het bankje bij de halte zitten twee mannen met rode gezichten van de drank. Ze staan op, gaan zitten, staan weer op en lopen onrustig heen en weer. Ze gaan weer zitten. Een groep Chinezen rent over het plein.
Om in Riga te komen, zo’n vierhonderd kilometer zuidwaarts, betaal ik vier euro. Het is een luxe bus met airco. De co-chauffeur heeft een lijst met namen en paspoortnummers op zijn schoot en nog zo’n lijst en nog een. De goede lijst ligt steeds weer onderop. Voordat ik naar mijn plaats kan word ik tot aan mijn paspoortnummer gecheckt.

Verder lezen

Steeds weer

 

Ik sta voor de enige synagoge die nog in Vilnius (Litouwen) rest. Ooit waren er hier vijf. Als ik aanbel bij het hek wordt er niet open gedaan. Ik bel nog een keer. Een jong stel dat al langer staat te wachten besluit om door te lopen. Ik bel weer, mijn laatste poging. Een oudere man komt naar buiten. Hij draagt een keppeltje en knikt mij toe met vriendelijke ogen. Hij haalt het kettingslot van het hek, laat mij binnen en maakt direct daarna het slot weer vast. In de gang zie ik een bescheiden portretgalerij van de rabbijnen die hier voorgingen. Het portret van degene die hier van 1621-1663 de rabbi was lijkt op dat van Spinoza. In het kantoortje van de rabbijn, niet meer dan een tafel en een stoel, hangt op een uitspringende muur een tabellenlijst met daarboven de woorden ‘Vilnius Transport.’ Even schrik van dat woord. Transport was toen niet nodig: de joden uit Vilnius waren al uitgemoord voordat er gaskamers bestonden. Nu duidt het woord Transport op de dienstregeling voor de trolleybus. Verder lezen