Alle berichten van Hans Muiderman

Over Hans Muiderman

Hans Muiderman werkte lange tijd op het raakvlak van kunst en onderwijs. Hij was tot 2004 directeur van het Koorenhuis in Den Haag. Als auteur en redacteur was het betrokken bij vele publicaties op het gebied van kunstonderwijs. Nu is hij schrijver, dichter en columnist. In 2013 verscheen zijn debuutroman Souvenir Utopia en onlangs zijn verhalenbundel Ik ben hier geboren.

Het hart uit mijn lijf

 

Gisteren kwam er een man naar mij toe. Bij de Oude Haven in Tallinn (Estland) staan acht billboards met informatie over de geschiedenis van zang en dans. Ik keek daar naar een foto van een immens zangpodium en die man kwam naast mij staan. Hij wees zichzelf aan, tussen de duizenden misschien wel tienduizenden mensen op de foto. ‘Ik was erbij,’ zei hij in gebrekkig Engels, ‘rij tweeëntwintig, rechts van het midden.’ Hij wees nog een keer. Hij wilde meer vertellen maar vond de juiste woorden niet. Zag ik tranen in zijn ogen? Goed onthouden, rij tweeëntwintig, rechts van het midden.

 

Nu sta ik op de plek die hij mij aanwees. Het Zangpodium van Tallinn. Boven mij een immens grote kap en voor mij schuin omhooglopende grasvelden met zij- en middenpaden. Een stadion zou ik het niet noemen. Het heeft wel toegangshekken en loketten, een hoge toren voor tv en radio met daaronder plekken voor verslaggevers. Maar het kent geen tribune. In feite is de hele ruimte een enorm podium. Ik hou van zingen.

Dit was de plek van de Zingende Revolutie. De man die mij zichzelf aanwees op de foto sprak van 300.000 zangers maar ik denk dat hij uit enthousiasme een nulletje erbij verzon. Zo gaat dat met herinneringen. Bovendien, waar massa’s samenkomen ligt overdrijving op de loer. Nu sta ik hier alleen. Verder lezen

Lembit Juksaar

 

Tallinn – Uit het niets komt hij tevoorschijn. Hij loopt achter mij om, tikt op mijn schouder en schuift het paneel weg waarnaar ik sta te kijken. Foto’s van Russische soldaten met teksten eronder verdwijnen uit mijn blik. Op een paneel daarachter komen foto’s en affiches van Stalin en Hitler tevoorschijn.

Hij praat met een dwingende stem en articuleert overdreven.
 ‘Pro-pa-gan-da!’ roept hij en schuift het paneel met de Russische soldaten nog verder weg.
‘Re-a-li-ty!’ vervolgt hij terwijl hij naar het paneel wijst dat nu zichtbaar is. Hij herhaalt het nog een keer, inclusief de choreografie van schuivende panelen en de tik op mijn schouder.
 ‘Pro-pa-gan-da! Re-a-li-ty!’

Hij gaat dichtbij mij staan en kijkt me doordringend aan. Zijn huid is bleek en rossig, zijn schedel heeft alleen nog haar aan de zijkant. Ik schat hem een jaar of tachtig. Waar ik vandaan komt, vraagt hij. Holland, antwoord ik. Zijn ogen lichten even op. Verder lezen

Heb je mij nog horen roepen?

 

13 januari 1991

 

Bij de ingang van de Antakalin-begraafplaats, aan de rand van Vilnius (Litouwen), staat een glimmend zwarte Volkswagenbus. Donkere ramen. Een man staat er naast. Zwart kostuum, wit overhemd, zwarte stropdas. Hij is in functie denk ik. Hij doet zijn jasje uit, vouwt het voorzichtig op en legt het op de bestuurdersstoel. Daarna opent hij de motorkap, draait aan de radiatordop en kijkt als een deskundige. Hij laat de motor stationair lopen en luistert met een scheef hoofd. Hij knikt tevreden. De dood is een verdrietige zaak en juist daarom moet alles eromheen piekfijn in orde zijn. Hij sluit met een discreet gebaar de motorkap.

Even verderop staan twee politieagenten met fluoriscerende hesjes aan. Naast mij neust een zwerver in een prullenbak.

 

Langs het glooiende pad op het oudste gedeelte van de begraafplaats zitten twee oude  mensen op een bankje. Zij zit onbeweeglijk en kromgebogen, hij heeft een gezicht van perkament en praat met trage handgebaren. Het lijkt alsof ze hier dagelijks zitten, om te wennen aan wat komen gaat.

Voorbij de glooiing rechts een open ruimte. De zon schijnt op een monument. Een tiental graven. Algamanius, Rolandas, Darius, Juozas, Ignas, Vidas, Gintaris… Moeilijke namen om te onthouden. Ik loop er nog eens langs, misschien geeft een datum mij houvast. Ze zijn allemaal gestorven op 13 januari 1991. Ik kijk naar hun geboortedatum: Ignas is de jongste, een maand voordat hij doodgeschoten werd, vierde hij zijn zeventiende verjaardag. Een kerstkind bijna. Wat een feest zal zijn geboorte geweest zijn in een land met zoveel katholieken. Er werd gezongen. Stille nacht, Heilige nacht. Vrede op aarde.

Er werd ook gezongen die avond op 13 januari bij de televisietoren die door Sovjet paratroepers was bezet. Niet alleen gezongen werd er, er werd geschreeuwd. Een mensenmassa.

‘Lithuania! Lithuania!!’

‘Litouwen! Litouwen!!’

Nu zit ik bij zijn graf. Ignas Simulionis, een kind nog. Voor eeuwig zeventien. Even verderop staat een vrouw met bloemen in haar hand. Ze wacht ergens op. Verder lezen

Jezus redt

 

Op de stationsbank zit een jongeman. Ik ga naast hem zitten. Hij staat onrustig op en kijkt door het raam van de hal naar binnen. ‘Weet u of ik hier mijn ov-chipkaart kan opwaarderen? Ik heb geen pinpas, alleen maar cash en bij de automaat kan het niet met munten of biljetten.’

Hij gaat zitten, staat weer op en kijkt opnieuw door het raam. ‘En hier is alles dicht,’ mompelt hij. Ik adviseer hem voordat de trein vertrekt de conducteur om hulp te vragen.

‘Ik moet weer terug,’ zegt hij, ‘ik heb hier een vrouwtje en een kind. Een half jaar ben ik hier en een half jaar daar.’ Hij wijst in de richting van de spoorlijn. ‘Nu wordt het de Turks-Syrische grens,’ vervolgt hij, ‘ik ben scherpschutter. Weet u wat het is om een rode baret te dragen?’

Nee dat weet ik niet. Ik vertel hem iets over groene baretten en de commando’s. Niet dat ik daar veel van weet. ‘Je hebt schorpioenen en staanders,’ zegt hij, ‘ik ben een staander. Een staander moet goed kunnen bukken, een schorpioen goed kunnen kruipen. Ook achteruit. Verschillende kwaliteiten. Als ik niet zou weten wanneer ik kan gaan staan en wanneer ik moet bukken, zou ik allang dood zijn.’ Verder lezen

Vrijheid van meningsuiting

 

 

 

Man met luide stem komt binnen in de 1e klasse. Vrouw volgt hem. Zij praat zacht, ik kan haar niet verstaan. Ze gaan zitten buiten mijn blikveld. Er zijn geen andere reizigers in de coupee.

 

 

‘Hij moet beslist in de City gaan werken, maar kiest nu voor een vestiging op Kanaleneiland. Dan is hij niet goed bezig. Hij heeft toch Spaans en Engels? Dan moet je in de City gaan werken, gewoon een kwestie van loopbaanplanning. Wie heeft er nou ooit van Kanaleneiland gehoord.’

 

‘…’

Verder lezen