|
Beschaafd en onbeschaafd |
|
|
|
Han Mulder
|
|
maandag 02 augustus 2010 |
De Nederlandse nadagen in Uruzgan gingen gepaard met bespiegelingen van allerlei aard. Omdat die dagen toevalligerwijze ook nog samenvielen met de onthullende documenten annex lekkages over Afghanistan van WikiLeaks kwam daar nog een deels opgewarmd sausje ethiek overheen. Wij hebben geprobeerd de nadruk te leggen op opbouw van de ons toevertrouwde provincie, zo hoorde je vaak, maar we zijn daarbij niet ontkomen aan vechtmissies waarbij doden vielen. Aan Afghaanse én helaas ook aan Nederlandse kant, volgde daar dan onmiddellijk bij.
Maar het discours werd daarmee toch meteen verplaatst naar die hoge berg documenten van Wikileaks waarbij twee dingen opvielen. Ten eerste: de Taliban bleek veel sterker dan de schijn die naar buiten heel lang werd opgehouden. Ten tweede: de gewelddadigheden aan de kant van hun bestrijders, de Amerikanen voorop maar ook hun bondgenoten, waren heel wat talrijker en heviger dan we het graag hadden doen voorkomen. Met oorlogshandelingen, of met wat daar erg op lijkt, kun je als land dat pretendeert beschaafd te zijn, niet afdwingen dat ander landen die nog niet zover zijn, zich voor dat criterium kwalificeren.
Ik lees veel commentaar op met name Amerika en zijn pretenties. Dan volgt al gauw de theorie van de ´overstretch´. In het kort komt het erop neer dat alle wereldrijken in de loop van de geschiedenis de neiging hebben vertoond, op den duur te veel hooi op de vork te nemen. Zo hebben achtereenvolgens het Romeinse Rijk, het Spaanse waar de zon nooit leek onder te gaan, het Britse Empire, zelf de weg naar hun ondergang geplaveid. Volgens die theorie zouden dan nu de Verenigde Staten van Noord-Amerika aan de beurt zijn: Vietnam, Irak, Afghanistan. You name it. Daarop volgt het boven al aangekondigde ethische sausje dat beschaafde landen altijd af moeten zien van oorlog omdat oorlog nooit helpt.
Maar als Amerika in de Tweede Wereldoorlog ook zo had geredeneerd en de andere kant had uitgekeken was het in Europa een tikje anders gelopen en had het liedje van Noël Coward uit die tijd een wat andere uitleg gekregen. ´Don´t Let´s Be Beastly to the Germans´ zong hij in 1943 op een party in Londen. Churchill was erbij en de mensen riepen 'bis, bis'. En daar ging Coward dus weer: ´Though they´ve been a little naughty/To the Czechs and Poles and Dutch / I don´t suppose those countries really minded very much.´ Ik bedoel maar, we hebben later om de ironie van Coward hartelijk kunnen lachen dankzij D-day en al die gesneuvelde Amerikanen en hun bondgenoten op de stranden van Normandië.
Ook een scherpzinnig columnist als Marcel van Dam met hoofd en hart op de goede plaats kwam er niet uit toen hij zich onlangs in De Volkskrant afvroeg wanneer het besef zou doordringen dat oorlog ongeschikt was om de westerse beschaving te exporteren. Je kunt de beschaving niet met oorlog aan de man brengen, vond hij, omdat de oorlog de beschaving om zee heeft geholpen .
Niemand zal ontkennen dat de geallieerde oorlogsinspanningen hebben geleid tot de ondergang van het nazi-regime in Duitsland. Dat was anders waarschijnlijk niet gebeurd en in elk geval niet zo snel. In de redenering van van Dam was Duitsland ook in die jaren een beschaafd land dat alleen maar tijdelijk gebukt ging onder een aberratie van nazi-barbarij. Voor Afghanistan zouden oorlogshandelingen – of wat neutraler gezegd – offensieve acties tot mislukken gedoemd zijn omdat dat Afghanistan in feite een ónbeschaafd land is. We zeggen het niet met zoveel woorden, maar we bedoelen het wel. Ik vind dat een staaltje impliciete hovaardij en misplaatst superioriteitsgevoel. Als dat de reden is waarom we ons als mede-westerlingen terugtrekken van het strijdgewoel en een veilig heenkomen zoeken in de polder dan rest ons slechts één hoop: dat de dijken stevig genoeg blijken. Zet er maar wat zandzakken tegenaan berstensvol ethische praatjes voor de vaak.
(
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken
) |
|
|
Duisburg en de evenementelingen |
|
|
|
Han Mulder
|
|
dinsdag 27 juli 2010 |
De catastrofe in Duisburg maakt veel los. Er is een volksgericht dat zich richt op de notabelen, de burgemeester en de hoofdcommissaris van politie in de eerste plaats. Er wordt gespuugd en er slingeren rotte tomaten door de lucht. Het is niet goed te keuren maar verklaarbaar. De verontwaardiging zoekt een bedding . Die is altijd te smal en stroomt dus meteen over. Hierover wilde ik het niet hebben. Wél over dat steeds overheersender fenomeen van de massa-evenementen. De vele honderdduizenden – en dikwijls zijn het nog meer – die altijd weer bereid zijn op stap te gaan, op zoek naar die andere honderdduizenden. Het verschijnsel is natuurlijk niet nieuw. We gaan al eeuwen met ons miljoenen op bedevaart. Gewapenderhand soms. Met pijl en boog of scootmobiel naar het Heilige Land en Lourdes. Er vallen wel eens doden. Ook in Mekka raken gelovigen steevast vertrapt en vermorzeld onder de sandalen en de sneakers van de medegelovigen, terwijl die stenen gooien ter leniging van de zonden. Ook de paus treft op zijn wereldreizen de massa's die hem vereren en adoreren. Het is ook niet een kwestie van leeftijd. De oudere jongeren treden nog altijd met vele divisies tegelijk aan als de Rolling Stones in het Gelredrome hun tijdloze vitaliteit vertonen. Het Museumplein is evenmin voor een meute van een kwart miljoen vervaard en dan zijn het nog maar de vice-kampioenen die zich komen laten toejuichen.
Het cliché luidt dat de wereld klein is geworden. Dat valt inderdaad niet te ontkennen. Maar dat is toch niet het hele verhaal. Je zou het namelijk kunnen omdraaien: omdat die wereld zo ineen is geschrompeld en de hedendaagse vervoersmiddelen in principe zo gemakkelijk hun weg naar de verre einders kunnen vinden, zou je denken dat de mensen de leegte zouden zoeken, zonder de woestheid die vroeger met die leegte gepaard placht te gaan. Maar dat gebeurt niet. Hoe meer ruimte potentieel voor ons voorhanden is, hoe meer we geneigd blijken elkaar op te zoeken, dicht bij elkaar te kruipen.
Daarom heeft het niet zoveel zin voor autoriteiten of voor bezorgde verwanten om potentiële evenementelingen hun gang te ontraden. Dreiging en onzekerheid maar ook geborgenheid – hoe raar dat laatste ook klinkt - sturen ongemerkt de drijfveren waarnaar mensen handelen. Ze weten best dat het heel riskant is met z'n honderdduizenden tegelijkertijd een lage lange tunnel te doorkruisen naar dat grote gebeuren, naar dat evenement. Gaan doen ze toch. Nu en de volgende keer. Is het niet Duisburg dan wordt het wel iets anders. What's in a name? zei Shakespeare al.
(
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken
)
|
|
|
Vrije vlakken vervagen |
|
|
|
Han Mulder
|
|
maandag 21 juni 2010 |
In zijn prachtige autobiografische roman ‘Een ander leven’ * doet de Zweedse schrijver Per Olov Enquist verslag van het WK voetbal in Mexico in 1986. Hij is daar als literaire verslaggever voor een krant uit Stockholm. Door een handigheidje belandt hij als vermeend lid van de televisieploeg achter het doel tijdens de wedstrijd tussen West-Duitsland en Uruguay. De ‘hij’ uit het volgende fragment (uit de goede vertaling van Cora Polet) is Enquist zelf:
“De televisieploeg stelt zich achter een van de doelen op, een meter achter het doel. Hij gaat in het gras zitten en hij slaat de eerste helft en het werk van de keeper gade. Keer op keer komen de Duitse boerenkinkels dreunend met grote vaart aanstormen; omdat hij zich zijn eigen prestaties als keeper bij Bureå IF herinnert, en hoe laf hij was als de boerenkinkels dichterbij kwamen, voelt hij een sterke sympathie. Vanuit dit perspectief – dus niet vanaf de, hooggelegen tribunes - dat ook het perspectief van de televisiekijker is, veranderde de logica van het spel. De blik in de diepte geeft een vernauwend effect, de vrije vlakken vervagen en verdwijnen. Hij heeft bewondering voor de spelers die ondanks het horizontale perspectief toch de zijlijnen kunnen overzien én ook nog handelen vanuit het perspectief van de hoge tribunes. Hier, vanaf deze plek, enkele decimeters boven de grasmat, verdwijnt elke gedachte aan ‘het schaakspel op de groene mat’; naderhand probeert hij zijn waarneming te testen door een spelletje schaak te spelen met het schaakbord op gelijke hoogte met zijn ogen, hij verliest al gauw en ziet zijn waarneming bevestigd.”
Het is een interessante observatie die na 24 jaar nog niets haar kracht heeft verloren. Weliswaar staan er, zoals we dezer dagen in Zuid-Afrika ten overvloede kunnen constateren, veel meer camera’s rondom het veld. Elke grasspriet wordt geregistreerd maar daarmee overbrug je nog niet de afstand tussen de belevenis van de spelers en die van de toeschouwers. Hoe Wesley of Robin echt de ‘Umwelt’ ervaren en daarop mede hun beslissingen nemen, blijft daarmee in het ongewisse. Dat geldt nog meer voor de doelman, die eenzame achter op het podium.
Voetbal is een heel ouderwetse tak van sport, waarbij nog heel veel – te veel eigenlijk – aan de gebrekkige zintuigen van het gezag wordt overgelaten, de scheidsrechter dus. En de visuele media die deze antieke sport registreren, passen zich daarbij zonder morren aan. Het is wel goed zo, kennelijk. Ik ben geen grote liefhebber van autoraces. Maar als ik al eens langs die activiteit zap, krijg ik meestal beelden te zien, vanuit de cabine van een kansrijke snelheidsduivel genomen. Er zit waarschijnlijk een cameraatje op de borstzak van zijn raceoverall gespeld. Waarom kan er niet zo’n camera op de trui van Stekelenburg of het tricot van Van der Wiel of Kuijt worden gespeld of liever nog geborduurd? Of mag dat misschien ook niet van de FIFA of van de heer Budweiser zelf?
Wij kijken nu ademloos via de televisiecamera’s naar een schim van wat ik hier maar gebrekkig ‘de ware werkelijkheid’ zal noemen. Hoe doelman Eiji Kawashima van Japan die giftige inswinger van Sneijder echt op zich en eenzaam heeft ondergaan? We zullen het nooit weten. We dachten er bij te zijn, maar we bleven vrije vlakken gezien die voor Kawashima in een gespleten seconde voorgoed waren verdwenen.
(
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken
)
* Een ander leven/ Per Olov Enquist, geautoriseerde vertaling uit het Zweeds door Cora Polet – Amsterdam: Athos, 2009 |
|
|
Een koffieservies als maat der dingen |
|
|
|
Han Mulder
|
|
maandag 14 juni 2010 |
Het Noord-Brabants Museum legde onlangs de hand op een kerstpakket uit de jaren vijftig. Het regionale vervoersbedrijf van toenmaals had het ooit verstrekt aan zijn ijverige medewerkers. Het was een praktisch geschenk dat naadloos paste in die tijd van wederopbouw en soberheid. De directie maakte ook onderscheid op basis van de sociale verhoudingen van destijds want de burgerlijke staat van de employés van de BBA (voluit de N.V. Brabantsche Buurtspoorwegen en Autodiensten) bepaalde aard en omvang van de goede gaven. Zo kregen mensen die getrouwd waren een 9-delig koffieservies met op de kopjes afbeeldingen vanuit de rijke geschiedenis van het openbaar-vervoerwezen. Mannen die vrijgezel waren werden verblijd met drie asbakjes. Hun ongehuwde vrouwelijke collega’s konden na nerveus gefrutsel met de verpakking een eenzame bonbonnière tegemoet zien. Men stemde op de KVP. Het CDA moest nog worden uitgevonden.
De rolverdeling lag in het rijke Roomse Brabantse leven dus nog redelijk vast. En niet alleen in Noord-Brabant. Man zijn en getrouwd, dat was de norm in het bedrijvige Nederland van die dagen in het algeméén. De directie van de BBA had dat goed gezien. Daar hoorden zes koffiekoppen bij die altijd van pas kwamen in een kloek gezin. De bonbonnière leek innig verbonden met de oude vrijster bij de administratie op het hoofdkantoor. Natuurlijk begon het in de samenleving voorzichtig te gisten en dus in de politiek te pruttelen. Zo was het Koninklijk Besluit van voor de oorlog dat erin voorzag om vrouwelijke ambtenaren die trouwden te ontslaan, al een stuk versoepeld. Ongeschreven regels bleven echter hardnekkig. |
|
Lees meer...
|
|
|