Menu
Home
Theo Monkhorst
Han Mulder
Hans Muiderman
Dick Toet
Paul van Velthoven
Marjolijn Uitzinger
Frans Wijnands
Han Kogels
Frans Kok
Frans Weisglas
Henk Beereboom
Gastschrijver
Plein
Vertel het verder!
Klik hier en stuur deze website naar uw vrienden:
e-mail to a friend
Plein

Omdopen


Altijd gedacht dat de Mauritskade vernoemd was naar prins Maurits, de stadhouder. Geen fraai heerschap (hij liet van Oldenbarnevelt executeren) maar wel een kundig militair.
Maar in de file had ik onlangs tijd het bord eens goed te lezen. Blijkt het om prins Maurits te gaan, de zoon van Willem III (de Gorilla) en prinses Sophie. Het knaapje stierf in 1850 op 6-jarige leeftijd, mede als gevolg van onenigheid tussen zijn ouders over de beste behandelwijze.
Een van de belangrijkste toegangswegen van Den Haag vernoemd naar een wicht van 6, van wie niemand ooit gehoord heeft. Iets teveel eer lijkt mij. Dus, als er binnenkort een belangrijke Nederlander, desnoods een Hagenees, sterft: omdopen die kade.

Frans Kok

Ongeluksschip Afdrukken E-mail
Han Mulder   
maandag 16 april 2012


Het is alom een eeuw Titanic wat de klok slaat. Een sprankje verdriet bij verre nazaten met daarnaast veel slechte smaak. Maar laten we de Costa Concordia niet vergeten. De ramp met dit fraaie cruiseschip brengt evenmin het edelste in de mens naar boven. Een cruise schip vol juwelen, champagne, baar geld, veel kostbaarheden zoals antiek Boheems kristal en houtsnijprenten van de beroemde Katsushika Hokusai, vast veel horloges van de merken Cartier en Rolex. Kortom, de mafia zelf heeft al van haar belangstelling laten blijken. Die heeft speciale teams klaar voor buit onder de zeespiegel.

Een Amerikaanse onderwaterarcheoloog en duiker zei al, toen men nog druk aan het zoeken was naar overlevenden: “dit wordt een krankzinnige jacht naar al dat verzonken waardevols”. Daar zullen collega's van de man niet echt van hebben staan te kijken. De Costa Concordia was een drijvend luxehotel met 4200 mensen aan boord. Passagiers met hun mooiste kleren bij zich en de kostbaarste juwelen waarmee zij hun medereizigers zo nodig gaarne de ogen uitstaken. Soms droegen ze spullen die al vele generaties in de familie waren. Maar, ik merkte het al op, waarschijnlijk ook veel duurs uit de categorie 'nouveau riche'. Daarheen verwijzen ook de vele kluisjes die kennelijk tot de standaard entourage van de luxehutten behoorden.

In elk geval bood – en vooralsnog biedt – de onder de golven verdwenen have een compleet overzicht van wat er anno 2012 bij de 'beautiful people' toe doet. Dat zou nog eens een rijpe vrucht zijn als onderwaterarcheologen over tweeduizend jaar op het casco van dit schip stuiten. Maar dat is natuurlijk een gedachte-experiment dat nergens op slaat. Want nu schijnt de Costa Concordia nog 24 uur per dag te worden bewaakt. En mag niemand minder dan een scheepsmijl in de buurt komen. Dat zal niet zo blijven. Zulk toezicht erodeert. De reder is nog altijd eigenaar van het schip en de passagiers zijn dat van hun verdronken eigendommen. Het uiteindelijke lot van het wrak is duister. De mafia denkt met ons mee.

Dan komt de vergelijking met de Titanic. Die gaat goeddeels mank. Dat ongelukkigste onder de ongeluksschepen ligt al 100 jaar op de bodem met een groot deel aan man en muis. Er zijn desondanks wat overeenkomsten. Een stukje steenkool uit de machines van de Titanic naar bovengehaald doet bijvoorbeeld op de markt van curiosa een stevige prijs. Dat geldt nu ook al voor bestek en drinkgerei en klerenhangers van de Costa Concordia. Als het vignet er maar op staat uiteraard.

Tot nu toe is het in de media vooral gegaan over de kapitein. Ene Francesco Schettino die niet de meest heldhaftige schipper naast God schijnt te zijn geweest. Dat kon er ook nog wel bij terwijl Italië de nog verse wonden likte van zoveel jaren Silvio B.

Vooralsnog ligt een ongelofelijke schat aan moois en duurs te wachten in de ongerepte wateren voor de Toscaanse kust. Sommige objecten zullen gaan desintegreren. Maar er blijft genoeg aan buit binnen duik- en handbereik die schatzoekers zal uitdagen. Dat was zo met de Titanic en dat was zo met die ontelbare andere schipbreuken die het lot van de mensen markeerden zo gauw ze zich op de zee en de golven waagden. Steeds verschenen dan weer de waaghalzen op zoek naar goud, wapentuig en ander waardevols. Misschien lieten ze de amforen achter als buit voor de archeologen die veel later kwamen. Vervang wapentuig toen door Rolex nu en de cirkel is ongeveer gesloten. Wel maak ik me enige zorgen over de houdbaarheid van de tassen van het merk Louis Vuitton. Zullen die bestand blijken tegen het zoute water?

Daar ben ik niet gerust op.



 
Selexyz of Paagman Afdrukken E-mail
Han Mulder   
dinsdag 27 maart 2012


Een stad die zichzelf serieus neemt kan niet zonder boekhandels met allure. Onder allure vallen zowel de vorm als de inhoud. De winkel moet ruim zijn en zonder poespas. Je moet tussen de boeken kunnen dwalen zonder specifiek doel. Zoals je dat in een bos doet wanneer de zon door de kruin van de bomen speelt. Het liefst moet het leven zich op een paar verdiepingen afspelen. Modieuze frivoliteiten zijn mondjesmaat toegestaan. Een koffiebar mag, een stukje appeltaart erbij mag ook. Maar liever niet een volledige menukaart aan baksels en salades. Het moet in de boekhandel naar vers papier ruiken, niet naar frituurvet, zelfs niet als dat afkomstig is van zonnebloemolie.

In Den Haag verkeert boekhandel Verwijs samen met de Selexyzketen als geheel in de gevarenzone. Verwijs komt het meeste nabij de randvoorwaarden die ik hierboven heb geformuleerd. Als Verwijs in de Passage zijn deuren sluit, is dat vergelijkbaar met het opdoeken van een schouwburg of een concertzaal. Een boekhandel van allure draagt rechtstreeks bij aan de geneugten van de bewoner of de bezoeker van de grote stad.

Maar in Den Haag is al zoveel gebeurd. Boekhandel Houtschild in in de Papestraat is verdwenen. Ulysses en Boucher elders in de binnenstad zijn ook niet meer. Bij Van Stockum is het aan de stille kant. Couvée in het Benoordenhout houdt zich nauwelijks staande dankzij de winkeltrouw van een snel grijzer wordende clientèle die zich zonder stok of rollator bij de hand eveneens nauwelijk staande houdt. Gelukkig is daar de Boekenmarkt in de Molenstraat van de twee dames die altijd prachtige Beethovensonates koesteren als achtergrondmuziek. Ramsj van niveau, maar bibliofiel gesproken een voetnoot uiteraard.
Maar dan is er Paagman op de Frederik Hendriklaan. De boekwinkel met een hele lage drempel of eigenlijk helemaal geen drempel. Voor de deur colporteren zelfs op lentedagen oost-europees ingepakte dames met de Daklozenkrant. Op zaterdagen zie ik vaak vlot bespraakte studenten die hetzelfde doen met het weekblad Den Haag Centraal. Ook nog op de stoep een bloemenkiosk met de flora van het seizoen. Sympathieke bedrijvigheid allemaal en met al die laagdrempeligheid rondom is Paagman verzekerd van een prima marketingmix. Paagman is meer van de bestsellers en De Wereld Draait Door, als u begrijpt wat ik bedoel. Schrijvers maken in het weekend hun opwachting en vertellen over hun werk. Volle balpen in de hand om te signeren. Toegang doorgaans gratis maar reserveren verplicht. Ik kom en koop geregeld bij Paagman. Er is een informatiebalie en als ik wat wil weten zoekt de jongeman of jongedame van dienst dat keurig voor mij op de computer uit.

In het restaurant van Paagman is het altijd druk en met de cappuccino daar zou je best in Florence of Rome voor de dag kunnen komen. Bij Verwijs op de eerste etage daarentegen is altijd plaats. De laatste keer dat ik er mijn koffie dronk kon ik mijn lepeltje horen vallen. En dat in de Boekenweek nog wel.

En toch, ik zou Verwijs vele malen meer missen dan Paagman. Hoe komt dat eigenlijk? Misschien moet ik het in een vergelijking zoeken. Verwijs staat tot Paagman, zoals de Koninklijke Schouwburg staat tot het Circustheater.

Niets te na gesproken over Joop van den Ende natuurlijk. Maar ik maak van mezelf uit al zoveel herrie.

Han Mulder
 
De Prooi, het klimrek en de val Afdrukken E-mail
Han Mulder   
maandag 12 maart 2012


Het Nationale Toneel presenteerde afgelopen week in de Haagse Koninklijke Schouwburg 'De Prooi'. Het stuk is gebaseerd op feiten en gedragingen die Jeroen Smit in zijn knappe bestseller heeft beschreven met dezelfde naam. Hoe een Nederlands kroonjuweel, de ABN AMRO, in een roetsjbaan naar de totale vernietiging terechtkwam door wanbeleid, blinde ambitie, achterdocht, jaloezie en complotten van de top van de bank. Een dramatische bundeling van falende karakters en omstandigheden. Het verdwijnpunt in dit bizarre tableau vivant ligt bij Rijkman Groenink, de gevoelsarme, bijkans autistische voorzitter van de Raad van Bestuur die in de baaierd van geweld ten onder gaat.

Het stuk is geen adaptatie van het boek. Op het omslag van dat boek is een slang afgebeeld die het vignet van Dé Bank opslokt. In de toneelversie is uiteindelijk niet de bánk de prooi maar zijn het juist de mánnen – en één enkele vrouw – aan de top die ten prooi vallen aan de krachten die zij voor een groot deel zelf hebben ontketend.

In nog geen twee uur tijd voltrekt zich de tragedie tegen een soort klimrek dat niet slechts als decor fungeert maar heel sterk ook dient als de plaats van handeling. Sophie Kassies tekende voor de toneeltekst, Johan Doesburg voor de regie.

De Prooi is een absolute aanrader. Er is in de beschouwingen vooraf nogal eens verwezen naar Shakespeare als referentiekader voor de aanpak van De Prooi. Dat is deels waar. De Raad van Bestuur heeft zeker iets van een renaissancehof met zijn intriges, leugens en halve waarheden. Maar veel en het tenslotte beslissende onheil komt van buitenaf, de onbeheersbare veelkoppigheid van het financiële monster dat zich gulzig tegoed doet in Wall Street en de City en de zwakken zonder aarzelen vermorzelt, ook als het om prinsen gaat aan een bancair hof dat zich na twee eeuwen roemruchtiger waant dan het in feite is. Een hof dat zijn tafelzilver overschat dat aan het slot bij opbod wordt verkocht. Zulks onder bijval van snel cashende aandeelhouders. Exit Groenink en exit diens hovelingen, vaardig in complotten, niet wars van roem als die maar in geld viel uit te drukken.

Het knappe van de voorstelling is dat de technische entourage van de ingewikkelde mondiale geldhandel ondergeschikt is gemaakt aan de universeel menselijke problematiek van hoogmoed en de val die daar onvermijdelijk op volgt. De techniek van retail, swaps en andere dieventaal kun je laten voor wat het is. Het klimrek blijkt tenslotte geen tempel van eeuwige roem, zelfs niet een vluchtheuvel. Eerder een wolkenkrabber met de ramen open waaruit de gemankeerde helden naar beneden worden geduwd dan wel vrijwillig springen. Voor de gevolgen van die val maakt het weinig uit.

Doesburg maakte grandioos vormingstoneel ter lering van de woest en niets en niemand ontziende naar boven klauterende financiële kaste. Het zal, zoals nu eenmaal altijd bij vormingstoneel, weinig helpen. Maar in deze opzet is het wel vermakelijk en spannend. De toeschouwer verrijst na die twee uur uit zijn stoel met een gevoelsmix van boosheid en tevredenheid.

De Prooi gaat drie maanden op toernee door het land. Niet missen als hij in de buurt komt.

 
Spelletjes Afdrukken E-mail
Han Mulder   
donderdag 08 maart 2012


Het is een spelletje dat geregeld in de media gespeeld wordt. Vooral ook op het einde van een jaar wanneer nostalgie pleegt op te spelen. Wat was de beste tijd en de beste plaats om te leven?
Het spelletje is dan om bij die vraag een antwoord te leveren. Met klem van argumenten natuurlijk. Vooral de Britten zijn er sterk in. In het culturele kwartaalblad van tijdschrift The Economist, met de enigszins aanmatigende ondertitel Intelligent Life, kwam ik het spelletje onlangs weer tegen. Uiteraard kwam de auteur in kwestie tot de slotsom dat de beste plaats om ooit geleefd te hebben het Verenigd Koninkrijk zelf was en daarbinnen Londen om precies te zijn. Als begeerlijk tijdperk koos hij eind 17de, begin 18de eeuw. Londen was in 1690 volgens hem the place to be. De eerste openbare parken waren aangelegd, de Franse keuken werd een rage, Henri Purcell componeerde zijn Fairy Queen en de koffiehuizen waren overvol vanwege dat nieuwe drankje van overzee, panacee voor vele kwalen. Want ja, kwalen en ziektes nog steeds te over. Dat weer wel. Men stierf nog in groten getale aan de pokken. Amputeren van ledematen en ander operationeel ingrijpen geschiedde, op een scheut brandewijn na, zonder verdoven.

Verderop in die 18de eeuw hoefde de eminente historicus Edward Gibbon niet lang na te denken: vijf goede keizers, Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius brachten vrede en evenwichtigheid die later nooit meer zijn vertoond. “Een wereld waarbinnen het menselijke ras over de beste voorwaarden beschikte om gelukkig en welvarend te zijn”, zijn Gibbons eigen woorden.

Daarbij passen op zijn minst twee kanttekeningen. Om te beginnen; sinds het Rome van de keizers was er niet zo heel veel veranderd. Akkoord, Gibbon liep niet meer in een toga rond maar in een kniebroek met zijden kousen daaronder. Ook beschikte de mensheid inmiddels over buskruit en over de drukpers. Transport was in de tussenliggende achttien eeuwen echter niet veel veranderd. Nog altijd paardenkracht zonder vering op goeddeels onbegaanbaar drassige karrensporen als wegen. Opmerking twee: de menselijke conditie. Gibbon was een man en aristocraat, geen vrouw. Vrouwen waren nog verpakt in jurken die tot de grond reikten, daaronder ingesnoerd in adembenemende korsetten en werden in het algemeen als dom beschouwd. Gibbon was behalve man en blank ook welgesteld. Mogelijk had Gibbon bij zijn keuze de zuil van Marcus Aurelius op de Piazza Colonna in gedachten. Vast en zeker niet de armenhuizen van Rome, de slavenkazernes of de nooit aflatende stank van bederf en dood.

Trouwens: die vrede en die evenwichtigheid waar Gibbon het over had zijn best benijdenswaardig. Maar de democratie werd in Athene uitgevonden, terwijl buiten de Peloponnesische oorlog woedde. En zonder godsdienstoorlogen geen Reformatie. En zonder Dertigjarige Oorlog geen opmaat naar de Verlichting. Wie dus een groots, meeslepend en vooral bloedig tijdperk aanwijst bij het spelletje, heeft er ook zijn redenen voor.

Ik wil niet buitenspel blijven. Noblesse oblige. Wie zo'n stukje schrijft ontkomt zelf ook niet aan kiezen. Het is braaf en ongevaarlijk om dan in naam van de hemel je eigen tijd te nomineren. Maar in het leven van alledag klagen en kankeren op het actuele tijdsgewricht en vervolgens '2012' invullen als antwoord, kan natuurlijk niet. Toch blijf ik een beetje in de buurt. Er is maar één epoche, een epochje liever, dat bij mij in aanmerking komt: de vroege jaren des onderscheids. Toen de zomervakantie eindeloos leek te duren, de lichtjes in de kerstboom straalden zoals ze later nooit meer zouden doen en als de lampen doofden in het buurtbioscoopje het spannend werd zoals later nooit meer.

Want Marcus Aurelius zei al – Edward Gibbon kende dat citaat vast – ‘welk een klein deel van de eindeloze en onmetelijke tijd is een ieder van ons toegemeten. Het wordt zo snel door de eeuwigheid opgeslokt.’

Op naar het koffiehuis dus!


(De column is eerder gepubliceerd in het Archeologie Magazine 1, 2012)
 
<< Begin < Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Volgende > Einde >>

Resultaten 9 - 12 van 132