Menu
Home
Theo Monkhorst
Han Mulder
Hans Muiderman
Dick Toet
Paul van Velthoven
Marjolijn Uitzinger
Frans Wijnands
Han Kogels
Frans Kok
Frans Weisglas
Henk Beereboom
Gastschrijver
Plein
Vertel het verder!
Klik hier en stuur deze website naar uw vrienden:
e-mail to a friend
Plein

Omdopen


Altijd gedacht dat de Mauritskade vernoemd was naar prins Maurits, de stadhouder. Geen fraai heerschap (hij liet van Oldenbarnevelt executeren) maar wel een kundig militair.
Maar in de file had ik onlangs tijd het bord eens goed te lezen. Blijkt het om prins Maurits te gaan, de zoon van Willem III (de Gorilla) en prinses Sophie. Het knaapje stierf in 1850 op 6-jarige leeftijd, mede als gevolg van onenigheid tussen zijn ouders over de beste behandelwijze.
Een van de belangrijkste toegangswegen van Den Haag vernoemd naar een wicht van 6, van wie niemand ooit gehoord heeft. Iets teveel eer lijkt mij. Dus, als er binnenkort een belangrijke Nederlander, desnoods een Hagenees, sterft: omdopen die kade.

Frans Kok

In tijden van Wikipedia en Wikileaks Afdrukken E-mail
Han Mulder   
woensdag 15 december 2010


De kranten zijn de secondewijzer van de geschiedenis. Dat zei de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer in de 19de eeuw. Dat was de eeuw dat de krant het monopolie had op alle nieuws voorbij het eigen erf.


De torenklok van het dorp gaf de hoogsteigen tijd aan. De toren in het eerstvolgende dorp liep een kwartier voor of een kwartier achter. Ieder dorp had zijn eigen tijd. Maar de wereld was er ook nog. Daar schreef de geschiedenis het nooit eindigende drama van de mensheid in uren, dagen, maanden, jaren. En de krant begon dus dat drama dan koortsig seconde na seconde in drukinkt op papier vast te leggen.


Zullen er een paar generaties verder nog kranten bestaan? Of kijken de mensen dan naar onze kranten zoals wijzelf naar kleitabletten kijken uit het oude Mesopotamië? Wordt, met andere woorden, de studie van de krant een specialisme binnen de archeologie? Ik ben geen pessimist maar bezorgd ben ik wel.

De krant moest ook gewoon van het ouderwetse grote formaat zijn, 75 bij 60 centimeter. Dat heb ik niet zelf opgemeten maar opgezocht bij Wikipedia. Die enthousiaste club van encyclopedie-amateurs op het world wide web. We hadden geen aparte naam voor dat formaat. Dat kwam pas later, toen de tabloid verscheen. De helft zo klein. Van de weeromstuit gingen wij het klassieke exemplaar 'broad sheet' noemen. Er zijn natuurlijk altijd wel afwijkende formaten geweest. Maar serieus namen we die exemplaren niet. De 'tabloid' van nu nemen we echter wel serieus. En steeds serieuzer.
Dan diende zich ook nog de 'berliner' aan. Dat was qua omvang een stapje terug naar weleer. 'Berliner' kenden de meesten van ons tot voor kort alleen maar in de betekenis van koets. Op de Derde Dinsdag had de verslaggeefster van de hofstoet altijd wel een 'berliner' in het vizier. En dan weer 364 lange dagen niet. Er was ook een man die ooit zei “Ich bin een Berliner”. Met die man is het niet goed afgelopen. Oppassen dus, met de 'berliner’.
Alles op aarde heeft een levenscyclus. Het kan kort duren. Het kan lang duren. Maar er komt een einde aan. Melkflessen? Onze kleinkinderen weten niet meer wat dat zijn. De fax? Bijna verdwenen. Radiodistributie of de trekschuit? Finito! De rooms-katholieke kerk? Nog een halve generatie geduld en het is een supernova, een zwart gat dat geen licht meer doorlaat. Ik overdrijf misschien. Waarom zou de krant een uitzondering zijn? De krant is een betrekkelijk jong verschijnsel. De eerste 'tijdingen' van verre, dateren uit de 16de eeuw.
Twee belangrijke factoren hebben de opgang van de krant in hoge mate bevorderd. Dat was om te beginnen de komst van het koffiehuis. En dat was vervolgens de introductie van gas als verlichtingsmiddel in de huiskamer. Het koffiehuis was vooral een aanjager van het collectief waarderen van de krant als informatiebron. De gasverlichting introduceerde het individuele gebruik van de krant.
Eerst het koffiehuis.
De koffie was het sociaal smeermiddel bij uitnemendheid aan het einde van de 17de eeuw. Je ging naar het koffiehuis om andere mensen met dezelfde belangstelling te ontmoeten. Te roddelen. De laatste tijdschriften en vooral kranten te lezen. Uit de koffiehuiscultuur kwamen politieke clubs voort. Die soms een beslissende rol speelden bij woelingen en revoluties.
De grote sprong voorwaarts maakten de kranten in de eerste helft van de 19de eeuw. De kaars als lichtbron liep op zijn eind. Kerosine en petroleum waren aan het inburgeren. Met gas werd het nog beter. Gas had natuurlijk ook nadelen. Bezoekers van met gas verlichte theaters klaagden over hoofdpijn en misselijkheid. Maar gas had één onweerstaanbaar voordeel. Het gaf veel licht. Zeker vergeleken met wat de wereld voor de introductie van elektriciteit te bieden had.
Het was in de gemiddelde kamer met gas twintig keer zo licht als daarvoor. Geen intiem licht. Zeker niet. Je kon het niet dichter bij je boek of borduurwerk zetten zoals met een tafellamp. Maar lezen, kaarten, praten werden wel een stuk aangenamer. Tijdens de maaltijd kon je zien , in welke staat je voedsel verkeerde. Misschien niet altijd ten faveure van de gastheer. Titels waren voortaan van veraf op de boekenplank te ontwaren. De mensen gingen meer lezen en bleven langer op. Het is geen toeval dat er vanaf het midden van de 19de eeuw plotseling blijvend veel meer vraag was naar boeken, bladmuziek, tijdschriften en vooral kranten. In Engeland steeg het aantal titels van kranten en tijdschriften binnen die eeuw van 150 naar bijna 5000.

De krant, drukinkt op papier, de komst van de fotografie, de steeds sneller drukpersen. Er leek geen einde aan de toekomst van de krant. Juist ook door zijn formaat en fysieke brutaliteit van de grote krantenkop groeide de demonstratieve kracht. De krant als manifest. De krant als politiek middel. Als gebaar. Als dreigement. Als inspiratie voor de beeldende kunst. Dat fysieke en dat morsige vaak van de krant, maakten haar uniek. Er leek geen einde aan de toekomst van de krant. Maar nee.

Een iPad ruikt niet. Is trouwens meer dan half zo klein als een tabloid. Maar bedreigend is de iPad wel voor de krant. Eerst leek nog niet. Bij de komst van de spoorwegen, ook al weer in die 19de eeuw, zagen de eerste treinwagons eruit als postkoetsen op ijzeren wielen. Die waren het voorbeeld. De eerste 'applications' voor iPad van kranten leken als twee druppels water op het origineel, op de fysieke krant dus. Alleen kleiner.
Dat zal niet lang duren. Rupert Murdoch kondigde voor deze maand een heel eigen iPad-versie van een krant aan. Met eigen 'content', eigen idioom, eigen unieke middelen van tijd, met eigen 'content'. Murdoch is 79, maar bij de tijd.
Daarna deed de Volkskrant mededeling dat zij maandag 20 december met een speciale app komt, 'voor digitale immigranten die nog weten wat een krant is', zo zegt de man bij de Volkskrant die daarover gaat. Die heet al lang geen 'redacteur' meer. Laat staan 'verslaggever', maar managing editor.

De kranten als de secondewijzers van de geschiedenis, zei Schopenhauer dus. Ze lopen ook zelden goed, voegde hij eraan toe. Gelukkig maar, zeg ik dan. Kranten lopen voor. Wijzen inderdaad nooit helemaal exact de tijd aan. Een horloge dat stilstaat doet dat altijd twee keer per dag. Willen we dat dan misschien? Ik niet in elk geval.
Een krant van papier en drukinkt kan veel. Daarom blijf ik ondanks mijn iPad gematigd optimist over haar toekomst als tastbaar ding. De gaslantaarn is uitgestorven. Maar nieuwe drukinkt blijft nog steeds vloeien nadat oude drukinkt is opgedroogd. Ik blijf pleiten voor de krant omdat het mij ietwat aan beter weten ontbreekt. In tijden van iPad en WikiLeaks.


Deze column is een bewerking van de toespraak bij de opening van de expositie van Julia Winter in het Persmuseum te Amsterdam.


( Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken )






 
< Vorige   Volgende >