| Menu | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
| Vertel het verder! |
|---|
|
Klik hier en stuur deze website naar uw vrienden: e-mail to a friend |
| Plein |
|---|
|
Adieu loting Er zijn van die zaken, waarvan iedereen op zijn klompen aanvoelt dat het onzin betreft. Ongeacht welke (kul)argumenten door deskundigen worden aangedragen. Het beruchtste voorbeeld is de loting voor de studie geneeskunde. Met droge ogen werd steevast beweerd dat het niets uitmaakt of iemand super-gemotiveerd en met een mooie cijferlijst aan de studie begint, of als zweverige zesjesklant. Na 27 jaar is daar nu een einde aan gemaakt. Beter laat dan nooit. Nu de andere kwesties nog: goed taalonderwijs, het vak geschiedenis weer invoeren en onderwijzers die geen halve analfabeten zijn. Frans Kok |
| Haagse Rss |
|---|
| Fransen hebben de sleutel in handen voor Eurocrisis |
|
|
| Paul van Velthoven | |
| vrijdag 30 december 2011 | |
|
Frankrijk en Duitsland zijn nog altijd de landen die uiteindelijk bepalen wat in de Europese Unie gebeurt. Sinds de oprichting van de gemeenschappelijke Europese markt in 1957 zijn er twee tegengestelde modellen om aan deze samenwerking vorm te geven. Enerzijds de intergouvernementele benadering, anderzijds de federale, communautaire of supranationale aanpak, belichaamd door de Europese Commissie en het Europese Parlement. Maar er vindt ook geregeld overleg plaats in de Europese Raad, waarin de regeringsleiders van de 27 lidstaten met elkaar overleggen. De raad is de hoogste vorm van intergouvernementele samenwerking en deze heeft in alle kwesties het laatste woord. De kleine landen waaronder, als grootste, Nederland zijn altijd voorstander geweest van het supranationale model. Nederland vocht in de jaren zestig onder leiding van minister Luns een principieel conflict uit met generaal De Gaulle over een politieke unie onder leiding van Frankrijk en Duitsland. De Gaulle was voorstander van het Europa der staten. Onderling moesten die tot afspraken zien te komen. Van een supranationaal orgaan als de Europese Commissie moest hij niets hebben. Zou die unie gerealiseerd zijn, dan zou dit zijn neergekomen op een Europa onder Franse leiding. De Duitsers waren toen nog maar al te zeer genegen aan de Franse wensen tegemoet te komen. In de langdurige weg naar meer Europese samenwerking moest altijd een compromis gevonden worden tussen de intergouvernementele en de supranationale benadering. Ook het laatste grote Europese verdrag, dat van Lissabon uit 2007, nodig om de structuur en de besluitvorming van de inmiddels tot 27 lidstaten uitgegroeide Europese Unie te verbeteren, wordt beheerst door hetzelfde compromis. Het aantal terreinen waarop ditmaal binnen een afzienbare toekomst besluiten bij meerderheid genomen kunnen worden, is uitgebreid, maar belangrijke zaken als buitenlandse politiek, defensie, en ook het begrotingsbeleid vallen daarbuiten. Op die terreinen gaan de staten hun eigen gang of dwingen de grootste de kleine landen te volgen. De eurocrisis heeft laten zien dat meer coördinatie in het economische en financiële beleid van de lidstaten met een gemeenschappelijke munt onmisbaar is. Deze taak die zou moeten toevallen aan de Brusselse bureaucratie onder leiding van de Europese Commissie, en zo nodig afdwingbaar door het Europese Hof in Luxemburg. De afgelopen maanden werd de impasse in het oplossen van de eurocrisis veroorzaakt door de onenigheid tussen Duitsland en Frankrijk. In feite was er inzake het monetaire beleid altijd al een hemelsbreed verschil tussen deze twee kernlanden van de Europese Unie. Vrijwel sinds het bestaan van de gemeenschappelijke markt werd de noodzaak van een gemeenschappelijke munt gevoeld. De Fransen wilden met voorbijgaan aan de verschillen in economische potentie en concurrentiekracht van de lidstaten afstemming van de munten. Dit werd ondermeer in de jaren tachtig beproefd in de zogenaamde slang. De koersen van de diverse Europese munten zaten als het ware in een mandje en mochten niet te veel van elkaar afwijken. Aanvankelijk hadden de Fransen het idee om een munt die minder waard werd doordat het betreffende land meer uitgaf dan het verdiende, door andere landen te laten ondersteunen. De Duitsers, daarin gesteund door Nederland, waren altijd afkerig van een dergelijke aanpak. Eerst zouden de lidstaten moeten toegroeien naar meer economische en financiële integratie en dan zou de muntunie als het sluitstuk van deze integratie moeten fungeren. Van een vergaande economische integratie van het beleid van de lidstaten van de EU was echter geen sprake. Het was al heel wat, dat in 1991 een volledige gemeenschappelijke markt van producten en diensten kon worden ingevoerd. De meeste landen hoopten toen net als de Europese Commissie dat deze gemeenschappelijke markt verdere integratie op financieel en economisch gebied zou uitlokken. Alle belemmeringen voor een open concurrentie inzake producten en diensten tussen de lidstaten waren immers afgeschaft. Meer en meer deed daarom de behoefte aan een gemeenschappelijke munt zich ook voelen. Het laatste obstakel voor deze eis was de radicale verandering in de machtsverhoudingen op het Europese continent. Het verdwijnen van de Berlijnse Muur in 1989 had de eenwording van Duitsland mogelijk gemaakt. De economische reus was zou niet langer een politieke dwerg blijven. Maar de hereniging van Duitsland had wel de instemming van andere Europese landen nodig, in de eerste plaats van Frankrijk. De Duitse bondskanselier Kohl en de Franse president Mitterrand kwamen tot een akkoord dat de basis legde voor de Europese monetaire unie. In ruil voor de eenwording bedongen de Fransen dat de Duitsers zouden meewerken aan een gemeenschappelijke munt. De eis tot meer economische integratie bijvoorbeeld door meer begrotingsdiscipline lieten de Duitsers varen. Ze zouden hun (sterke) mark moeten opgeven. Met een munt zouden de Fransen hun lang gewenste droom, het voeren van een expansieve politiek, veel beter kunnen realiseren. Op die manier hoopten ze de machtsverschuiving ten gunste van Duitsland te kunnen compenseren. De Fransen hadden altijd al hun achterblijvende concurrentiekracht ten opzichte van Duitsland willen goed maken door een prestigieuze maar kostbare politiek. Vanaf de oprichting van de Europese samenwerking was dat hun grote wens. Ze verwachtten dat de euro hen daartoe veel meer mogelijkheden zou bieden dan de frank die om de zoveel tijd ten opzichte van de mark had moeten devalueren. De Fransen hadden ook het liefst gezien dat de euro politiek zou kunnen worden aangestuurd, bijvoorbeeld door indien nodig de geldpers te laten draaien. Maar daar staken de Duitsers een stokje voor. De nieuw op te richten centrale Europese Bank zou zelfstandig de nieuwe munt bewaken los van de politici van een bepaald land. In feite werd het een supranationale instelling. Maar verder kon elk land afzonderlijk doen met de euro wat hij wou. Er werd weliswaar afgesproken dat de overheidstekorten van de diverse landen niet een bepaalde grens mochten overschrijden. Immers, een land dat te veel uitgeeft en te weinig verdient, brengt de gemeenschappelijke munt in gevaar. Maar hiermee werd al in 2003 door Frankrijk en Duitsland de hand gelicht. Door de kredietcisis van 2008 waarbij de grote banken in Europa door de staten moesten worden gered, stegen de overheidstekorten van vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie explosief. Met andere zuidelijke landen kwam Frankrijk in de gevarenzone terecht. De reusachtige schulden bleken bij een kwakkelende economie steeds moeilijker te financieren. Door de eurocrisis zijn de feilen van een louter monetaire benadering om economische samenhang te creëren op dramatische wijze aan het licht gekomen. Wat menige financiële deskundige bij de start van het europroject had voorzien, werd nu bewaarheid. Economische integratie werd niet tot stand werd gebracht. Integendeel, de gemeenschappelijke munt bleek voor landen slechts een façade om veel makkelijker dan voorheen op de pof te leven. Daarom resteert nu alleen het paardenmiddel van een verplichte controle op de financiële huishouding door Brussel. Dat is wat de Duitsers nu eisen om een nieuwe eurocrisis te voorkomen. Dit raakt aan een levensgroot taboe bij de Fransen: op een van de meest wezenlijke sectoren van hun politiek zullen zij soevereiniteit moeten prijs geven aan Brussel. In feite zullen zij alsnog onder het Duitse juk door moeten. Een ongekende situatie. Maar zal dit ook in 2012 gebeuren? Volgend jaar zijn er in Frankrijk presidentsverkiezingen. De Franse president Nicolas Sarkozy zal de Fransen duidelijk moeten maken dat de euro alleen te redden valt door toe te geven aan de Duitse eisen. Maar de president staat al jaren slecht in de peilingen. Het is allerminst zeker of hij in mei zal worden herkozen. Hij heeft de verwachtingen die hij bij zijn verkiezingen in 2007 had gewekt allerminst waargemaakt. Toch is hij zonder twijfel de meest ervaren Franse politicus om Frankrijk door de huidige crisis te loodsen. Zijn voornaamste tegenstrevers zijn de socialistische kandidaat, Francois Hollande, die nog nooit een ministerspost heeft bekleed, en Marine Le Pen, de populaire dochter van Jean-Marie Le Pen, de leider van het extreem-rechtse Front National. Bij de verkiezingen in 2002 streefde de laatste de socialistische kandidaat voorbij. Beiden zien Frankrijk het liefst een geïsoleerde koers varen, los van Europa. Dan is er ook nog de ambitieuze en rancuneuze Dominique de Villepin, uit dezelfde partij als Sarkozy die slechts de bedoeling heeft de verkiezing van Sarkozy onmogelijk te maken. Alles bijeen een scenario waarvan men de uitkomst met grote zorg tegemoet moet zien. Slaagt Sarkozy er niet in de verkiezingen te winnen, dan volgt waarschijnlijk een Franse Sonderweg. De euro is dan reddeloos verloren. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|
| Henk Beereboom | ||||
|---|---|---|---|---|
|
||||