Jan Schinkelshoek
Pietje Bell maar ‘ns uit de kast gehaald. Bladerend door die reeks vergeelde, beduimelde en soms kapotgelezen pockets over de avonturen van dat Rotterdamse schoffie, probeer ik te begrijpen wat zich sinds een dag of wat rond het Binnenhof afspeelt. Maar zelfs ‘De vlegeljaren van Pietje Bell’, één van m’n favorieten van lang geleden, brengt me niet veel verder.
Ja, Pietje Bell is in Den Haag opgedoken. Het was Lousewies van der Laan die het Rotterdammertje voor het eerst ontdekte. In één van die vinnige lijsttrekkersdebatjes binnen D66 beschuldigde ze haar tegenstrever, Alexander Pechtold, er van een soort Pietje Bell te zijn, een kwajongen die regelmatig een grote mond opzet, graag belletje trekt en veel kattenkwaad uithaalt, maar in de grond van de zaak eigenlijk een goedzak is. ‘Soms moet je doorbijten om geloofwaardig te blijven…’ Pechtold, toen nog minister, reageerde als door een adder gebeten. Hij een Pietje Bell? Een slapjanus? Iemand die niet durfde doorbijten? Een slag onder de gordel… Sindsdien waart Pietje Bell als spook door Den Haag. Als symbool voor politici die wel blaffen, maar niet bijten. Als synoniem voor een gebrek aan doortastendheid. Als illustratie van slapheid ondanks de schijn van het tegendeel. Als etiket voor iets wat dicht in de buurt van hypocrisie komt. Als toppunt van ongeloofwaardigheid. En dat is tegenwoordig zo’n beetje het grofste verwijt dat je aan het Binnenhof naar het hoofd geslingerd kunt krijgen. Sinds, pakweg, ‘Fortuyn’ is daadkracht de hoogst gewaardeerde politieke eigenschap. Wie in het kamp van de slapjanussen en karakterlozen terecht komt, kan het wel schudden. Het heeft een verhitte, instabiele politieke cultuur van grote woorden en stoere daden geschapen die, achteraf bezien, op bijna niet anders kon uitlopen dan op een kabinetscrisis.
Het tweede kabinet-Balkenende is niet zo zeer ten onder gegaan aan amateurisme bij de kleinste regeringspartij, impopulariteit van de minister van vreemdelingenzaken, tweedracht bij de een-na-grootste regeringspartner of regisseursfouten van de minister-president. Evenmin laat het zich verklaren uit doorgeschoten formalisme, partijpolitieke rivaliteit, persoonlijke gekwetstheid of opportunisme. Nee, de crisis was een symptoom van een overmaat aan flinkheid, opgefokte flinkheid. Er was geen gebrek aan leiderschap, er was veeleer een te veel aan zelf opgeworpen, opgeblazen leiders. Niemand wilde in dat koortsige politieke klimaat wijken. Niemand kon meer terug. Niemand. Minister Verdonk was politiek noch karakterologisch bij machte toe te geven, aanvankelijk uit de bocht te zijn gevlogen. Ayaan Hirsi Ali, weer in bezit van het Nederlandse paspoort, wilde per se het laatste woord. De Tweede Kamer had zich te veel vastgebeten om, zelfs na een lesje in het Somalische naamrecht, de zaak nog in de juiste proporties te zien. Lousewies van der Laan mòest, na Pechtold slapheid te hebben verweten, wel doorbijten. De VVD, met name de nieuwbakken leider Mark Rutte, kon het zich niet permitteren Iron Rita te laten vallen. En om te laten zien dat hij echt geen Pietje Bell was, kwam de nieuwe leider van D66 na afloop melden dat hij wel degelijk ‘de leiding’ had gehad. Premier Balkenende viel letterlijk uit de toon: hij deed aan die krachtpatserij even niet mee. Hem werd - nota bene - verweten ‘te eerlijk’ voor de politiek te zijn. Het kostte hem zijn tweede kabinet.
Het is het loon van de angst. Na de Opstand der Burgers uit 2002 is de bliksem bij het politieke en bestuurlijke establishment ingeslagen. Er is een permanente staat van nervositeit om, net als de Melkerts en Dijkstallen van toen, in ongenade te vallen bij het onthechte, ontevreden kiezersvolk.‘Den Haag’ danst op de helling van een rommelende vulkaan. Kiezers zijn meer dan ooit kritische consumenten en rekenende burgers. Niemand beschikt meer over een stabiele aanhang zoals in de dagen van Drees en Romme. Sinds de nadagen van Paars - vermoedelijk geen kabinet waande zich zo stevig in het zadel als Koks tweede - weet de politieke elite kwetsbaar voor nieuwe populaire indringers die de vaste rondedans van de partijen kunnen verstoren. Achter elke boom kan een nieuwe Fortuyn of een succesvolle Peter R. de Vries staan. Die broeierige onrust probeert het Binnenhof te bezweren met een Nieuwe Flinkheid, uitmondend in een onstuitbare zucht tot dadendrang. Om te laten zien wat men waard is, om de knagende twijfel te overschreeuwen, om de onstuimige stroom aan kritiek te overbluffen, om indruk te maken - om de eigen fermheid te benadrukken.
Het is een toon die past bij het Nederland-van-nu. Onzeker als het voormalige ‘gidsland’ na de jarenlange zelfoverschatting geworden is, zoekt het zekerheid, vastigheid en duidelijkheid. En een bijpassende politieke klasse die zegt waar het op staat, niet om de hete brij heen draait en de koe bij de horens vat. Vandaar dat iedereen vòòr, tijdens en na de kabinetscrisis over elkaar heen buitelde om vooral niet als slapjanus te worden afgeschilderd. Vandaar dat adembenemende vrouwelijke power play (Ayaan, Rita, Lousewies, Femke). Vandaar de aanvankelijke vastbeslotenheid van CDA en VVD om ondanks de kabinetscrisis gewoon door te regeren. En vandaar de vele staaltjes aan daadkracht die Nederland voorafgaande aan 22 november nog opgedist krijgt.
Maar Piet Bell is nog niet uit Den Haag verjaagd. Via zijn ‘stadgenoot’ Ruud Lubbers - een oude rot die opdook als informateur - waarschuwde hij voor een overmaat aan dadendrang en ander spierballenvertoon. Wie meende dat voortvarendheid en zelfbeperking niet hand in hand konden gaan? Het klonk net zo beduimeld als die vergeelde pockets.
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken
|