Menu
Home
Theo Monkhorst
Han Mulder
Hans Muiderman
Dick Toet
Paul van Velthoven
Marjolijn Uitzinger
Frans Wijnands
Han Kogels
Frans Kok
Frans Weisglas
Henk Beereboom
Gastschrijver
Plein
Vertel het verder!
Klik hier en stuur deze website naar uw vrienden:
e-mail to a friend
Plein
Kerstboom

De dodenherdenking op 4 mei is geen juist moment om in lachen uit te barsten. Toch gebeurt me dat (vermengd met grote ergernis) als ik Willem Alexander zie in zijn uniform. Een soort wandelende kerstboom. En 2 jaar geleden een rennende kerstboom, toen hij zijn vrouw aan haar lot overliet in de paniek rond de damschreeuwer.
Waarom dost die man zich zo raar uit? Hij is toch geen beroepsmilitair? Bij zijn opa zat het in zijn Pruisische genen. En, eerlijk is eerlijk, hem stond het ganz nett. Bij Prins Pils staat het voor geen meter.
En ik denk dat Claus zich elke keer omdraait in zijn graf, om het niet te zien.

Frans Kok
postfris in de wacht voor de cultuur Afdrukken E-mail
Han Mulder   
woensdag 16 november 2005
Over de grote gebeurtenissen van de dag zijn we het gauw eens. We willen erover praten. We hebben commentaar. Bestaat er eigenlijk al een werkwoord ‘columnisten’ dat je in alle tijden die je wenst kunt vervoegen?
Ik bedoel dus tegenwoordige tijd: ik columnist. Verleden tijd: ik columnistte. Voltooid tegenwoordige tijd: ik heb gecolumnist? Enzovoorts. Natuurlijk laat mijn laptop het er niet bij zitten. Er verschijnen vanwege de spellingcontrole rode ribbelstrepen onder al die woorden. Hij moet ze niet, maar indien de aanhouder ook hier wint dan bevat het groene boekje in zijn volgende druk dus heus het werkwoord ‘columnisten’.
Een bekende dooddoener is dat Nederland zestien miljoen voetbaltrainers telt, van wie allen op één na de hun toekomende functie van bondscoach ten onrechte is onthouden. Misschien is dat zo en moet Van Basten niet alleen bij Italië maar ook bij zestien miljoenen min één op zijn tellen passen. Maar we zijn natuurlijk ook met zestien miljoen columnisten. Allemaal verzekerd van een ijzeren mening en de drempel die al die meningen bij hun missie zou kunnen blokkeren, wordt steeds lager. Zestien miljoen websites, voor iedereen één, dat is technisch nauwelijks een probleem meer. Als we vervolgens voor evenveel webcams gaan zorgen, kunnen we elkaar vervolgens ook nog allemaal zíén. Wat zeg ik? We kunnen elkaar dan letterlijk in de ogen kijken. Alle zestien miljoen meningen op een rij en de betreffende koppen er keurig bijgeleverd. Dat vooruitzicht moet vreselijk zijn. We zijn al met zo velen en het slot op de huisdeur biedt geen uitkomst meer. Met zestien miljoen komen we bij elkaar binnen en geven onze mening ongevraagd aan een ieder die de klep van zijn laptop open en de boel onder stroom heeft staan.
Ik was wat hieraan voorafging aan het overdenken terwijl ik in de rij stond. In een Nijmeegse rij, meer in het bijzonder. In de rij bij museum Het Valkhof, waar voor een korte tijd zomaar de beroemde miniaturen van de gebroeders Van Limburg in de vitrine lagen. Les belles heures van een godvruchtige mecenas en feodale heerser, hertog Jean van Berry. Het was zoals gezegd een rij, een hele lange rij. De media hadden uitgepakt over deze unieke tentoonstelling en dat had zijn uitwerking niet gemist. Van heinde en verre waren wij als cultureel voetvolk, zelden in de prijzen bij een officiële opening, naar de oude stad aan de Waal gereisd en we vonden elkaar in de queue. Met de museumjaarkaart binnen handbereik en de meegaandheid waarmee iedereen zijn culturele honger in bedwang pleegt houden.
We hadden nog uren voor de boeg. Dat gerucht verspreidde zich heel soepel door de rijen wachtenden. Als we na een half uur de kassa zouden hebben bereikt, zou het leed nog lang niet geleden zijn. Dan zouden we een kaartje krijgen met daarop de precieze tien minuten dat we in het heilige der heiligen zouden mogen verkeren. Tien minuten en niet langer. In mijn geval passeerde ik om twee uur de meneer van de kassa, verrassenderwijs gehuld in de outfit van veiligheidsfunctionaris met een nikkelen hoofdletter V op zijn revers. Op het kaartje stond dat mij de periode tussen tien voor half vijf en half vijf was vergund. Maar er was om het wachten te verlichten een aardig museumrestaurant met warme appeltaart, uiensoep en regionale lekkernijen en op de brede overloop van het museum zou ik ook de zeer royaal uitvergrote miniaturen met uitleg alvast kunnen bewonderen. Daarvoor bewoog zich inderdaad ook een lange rij liefhebbers langzaam voorwaarts, maar er viel in elk geval het een en ander te lezen en te bekijken. En de onvermijdelijke vergrootglazen die later dat bekijken van de originelen in het kabinet praktisch onmogelijk zouden maken, staken nog van niets bewust in de binnenzakken van de heren en de handtasjes van de dames.
Genoeg tijd om na te denken en om mening te vormen. Tussen de sluimerende agressie door uiteraard waarmee lang wachten ook altijd vergezeld gaan. Gaat die meneer met die rooie sjaal om niet stiekem voor met een rotsmoes dat hij alleen maar een catalogus komt kopen? Is die mevrouw in die rolstoel echt wel zo gehandicapt of doet ze maar alsof en zag ik haar zo-even niet kwiek met een klapstoeltje lopen?
Wat heeft dat nu met zestien miljoen columnisten en even zovele websites en meningen te maken? Heel veel. Overal en steeds meer wordt een mens in dit land geconfronteerd met zijn nabije medemens. Hij is nooit meer alleen. Op het idee van een museumjaarkaart zijn al die andere mensen die in de rij staan net zo goed gekomen als jij. De file is alomtegenwoordig en de snelweg is slechts één van de vele mogelijke locaties. De rij voor het Valkhof is net zoiets. Er is in dit land een overvloed aan meningen en aan mensen. Er is gebrek aan schaarste. Toen ik in de menigte in de museumwinkel een prachtige ansichtkaart van een getijdenboek had bemachtigd was ik uiterst content met mijn vooruitziendheid. Postzegels bleken er niet te koop, maar daar had ik op gerekend. Ik had zelf een postzegel meegenomen. De kaart op de punt van een volle museumbank geschreven, adres van thuis erop, die postzegel geplakt. Er restte slechts de kaart in de daartoe bestemde rode brievenbus van TNT te deponeren, daarbij lettend op de in verband met de postcodes bestemde gleuf. Op het drie kilometer strekkende traject van Valkhof dwars door de binnenstad naar het station was niet voorzien in brievenbussen. Het werd op het station Nijmegen ook zenuwachtig zoeken, want de trein wacht niet. Een employé van het spoor in een jack met verlichte strepen haalde mij desgevraagd uit de droom. “Meneer, er zijn geen brievenbussen meer op het station. Die zijn allemaal weggehaald. De dichtstbijzijnde bus staat bij het oude postkantoor, een eindje lopen”
Dat heb ik niet gedaan. Ik heb de ansicht veilig weggestopt in mijn binnenzak en ben in de volle trein gestapt. Het verhinderde me niet om al onder Arnhem weg te doezelen. Blij van zin, want er was godlof eindelijk weer eens ergens schaarste. Schaarste in de brievenbussen. Thuis overhandigde ik de kaart aan mijn echtgenote, een oude traditie – dat overhandigen bedoel ik – en vertelde het verhaal.
Boven de wasem van kokend water uit de fluitketel hebben we de postfrisse zegel van de kaart geweekt. Voor andersoortig gebruik. In de krant las ik dat TNT een onvriendelijk overnamebod boven het hoofd hing. Wat is de mensheid toch verwend en ondankbaar.
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken
 
< Vorige   Volgende >