Menu
Home
Theo Monkhorst
Han Mulder
Dick Toet
Paul van Velthoven
Marjolijn Uitzinger
Hetty van Rooij
Frans Wijnands
Marc De Koninck
Han Kogels
Frans kok
Gastschrijver
Henk Beereboom
Plein
Vertel het verder!
Klik hier en stuur deze website naar uw vrienden:
e-mail to a friend
Plein
Voorbeeld

Koningin Elizabeth kleedt zich sober, gaat in eigen land met vakantie, het liefst per trein en heeft haar Rolls Royces voorzien van een schone LPG-installatie.
Zou Beatrix dat bedoelen met haar Kerstboodschap ‘een beter milieu begint bij jezelf’?
Ook aan de tv-toespraak van haar hoogbejaarde vakgenote kan Beatrix een voorbeeld nemen. Een zakelijk verhaal, to the point, afgewisseld met leuke beelden over de activiteiten van haarzelf en haar familie gedurende het afgelopen jaar.
Het verschil met het hoogdravende gemoraliseer waarop wij elk jaar worden getrakteerd, was ditmaal wel erg opvallend.

Frans Kok
Dolf Toussaint en de menagerie aan het Binnenhof Afdrukken E-mail
Han Mulder   
woensdag 04 november 2009
De woorden zijn van Robert Capa, de beroemdste persfotograaf van allemaal: “If your pictures aren’t good enough, you aren’t close enough”. Ze zijn van een bedrieglijke eenvoud en er is ook weinig tegen in te brengen. De lens in de camera heeft geen mening. Die registreert alleen maar. De fotograaf moet zelf voor een schuttersput zorgen. Altijd dicht genoeg bij. Als de mannen uit de modder komen en oprukken, moet hij mee. Anders mist hij zijn doel.
Capa was de maker van de foto die de icoon werd van de Spaanse burgeroorlog. Córdoba 1937: daar valt een soldaat, zo-even getroffen door een kogel die dwars door zijn hoofd ging, het geweer glijdt uit zijn rechterhand. Een stervende strijder. De fotograaf vertelt zijn verhaal. De lens en sluitertijd zijn aan hem ondergeschikt. Het gaat om de fotograaf als de betrokken waarnemer.

Voor de volledigheid maak ik er melding van dat tot op de dag van vandaag twijfels klinken over de authenticiteit van de foto. Maar dat hoort erbij, zeker onder collega’s. Robert Capa was geen bescheiden mens. Hij koesterde zijn rolmodel van fotograaf als getuige van de waanzin. Zijn eigen dood was redelijk in stijl: hij trapte op een landmijn in Indo-China tijdens de agonie van de Franse koloniale aanwezigheid daar ter plaatse, halverwege de jaren vijftig. Op een mijn trappen is echter lang niet zo fotogeniek als dramatisch door de knieën gaan en sneuvelen met een geweer in de hand. Het oog wil ook wat. Gelukkig heeft de lens geen eigen wil.

De persfotografie als directe getuige van leven en dood bestaat eigenlijk nog niet zo lang. Dat kwam pas in de jaren twintig van de vorige eeuw. Toen brak de praktische kleinbeeldcamera door, een handzaam kastje dat je aan je oog kon zetten en – wat misschien nog veel belangrijker was – dat je in je zak kon steken. Tot die tijd was een camera toch in de eerste plaats een robuust samenstel geweest, minstens steunend op een driepoot. Een fotograaf moest sterke schouders hebben want er viel heel wat af te sjouwen. Maar die stevige fotograaf moest ook nog over een andere eigenschap beschikken: hij moest geduldig zijn. Want de plaat heette in het spraakgebruik dan wel gevoelig te zijn, maar hij nam er de tijd voor. Mannen, vrouwen en kinderen van vlees en bloed kijken ons aan, plechtig meestal, lichtelijk gepijnigd een enkele keer. Dat laatste kon het gevolg ervan zijn dat het hoofd in de begintijd soms langdurig in een klem tot bewegingsloosheid was veroordeeld. Er mocht namelijk minutenlang niet met dat hoofd geschud worden.

Toen tegelijkertijd met de introductie van de kleinbeeldcamera veel snellere rolfilms werden ontwikkeld, was aan een tweede beslissende voorwaarde voor een offensieve persfotografie voldaan. Daarmee ging de hele ‘state of the art’ minstens vier slagen in de rondte.

Ga maar na: beelden uit de Amerikaanse Burgeroorlog zijn spaarzaam. De kanonnen en paardenwagens zien er uit als decorstukken in een bloedig lekenspel in de openlucht. Over de Eerste Wereldoorlog bestaat al vele malen meer fotomateriaal, maar toch vertoont dat een opmerkelijk soort afstandelijkheid. De lens is te ver af. Dynamiek in beweging ontbreekt en als die beweging soms toch voorzichtig om de aandacht vraagt dan blijkt dat ten koste te gaan van de scherpte. Ook dr. Erich Salomon, de beste vertolker van het metier van fotograaf-met-de-voet-tussen-de deur, levert uiteindelijk vaak jachtige, onscherpe prentverbeelding. Wel dichtbij gekomen, maar helaas net niet de juiste spullen bij zich.

Ineens waren ze er dus: de handzame camera, de snelle film. Zoals vaak, worden vervolgens in staat van oorlog de grote stappen voorwaarts van de techniek, van haar toepassing en vooral van haar beoefenaars gemaakt. “Zolang oorlog beschouwd wordt als slecht, zal hij altijd zijn bekoringen hebben”, zei Oscar Wilde al. Het begon met de reportagefotografie pas echt in dat verscheurde Spanje van de jaren dertig, vaart kreeg ze spoedig daarop in de Tweede Wereldoorlog. Massabladen als Life in de VS, Picture Post in Engeland of de Berliner Illustrierte in Duitsland maakten van geëngageerde persfotografie hun belangrijkste reden van bestaan. Kranten volgden. Niet langer waren foto’s geïnterneerd op speciale pagina’s, maar ze verschenen tussen de tekst en gingen een wezenlijk onderdeel van de berichtgeving uitmaken. En niet alleen het krijgsbedrijf, maar alles was de moderne massamens moest fascineren, politiek, glamour, sport, mode, misdaad, kreeg in de razendsnelle persfotografie handen, voeten en vooral een gezicht.

Die prominente rol voor de persfotografie heeft overigens niet heel lang geduurd. De televisie begon al snel aan het monopolie te knagen. Eerst nauwelijks opgemerkt. Later steeds sneller. Wie nu de entourage van een groot evenement beziet, treft steeds groter cohorten camera’s aan. Veel fotografen, ongetwijfeld, maar de televisiecamera’s bezetten de beste plaatsen en zijn intussen ook steeds kleiner geworden en lichter in gewicht.

Dolf Toussaint behoort tot de beeldchroniqueurs van de Nederlandse politiek. Hij en andere prominenten uit het metier zoals Bert Verhoeff hadden daarbij het geluk om actief te kunnen zijn in het hoogtij van de pure betrokken persfotografie. Altijd ‘close enough’. Toussaints foto’s betrappen de politici en hun entourage maar zijn nooit toevallig. Ze willen altijd beweging registreren en schetsen vaak verbijsterend trefzeker het doen, laten en zijn van de mensen die ze tonen. Objectief is het gelukkig niet. Een lens heeft geen mening, maar Dolf heeft die wel. Hij kiest zijn standpunt, gaat door knieën, kijkt om de hoek. Hij heeft geen ‘Photoshop’ nodig om te krijgen wat hij hebben wil en heeft aan zwart-wit genoeg.


De huidige generatie politici aan het Binnenhof zal naar Toussaints menagerie niet veel anders kijken dan naar de grote heren uit het interbellum die Erich Salomon met zijn lens verschalkte. Voorbij, voorbij en o, voorgoed voorbij. De faam vervaagt en verdwijnt tenslotte, zoals sporen in het zand aan het strand als het uur slaat voor de onvermijdelijke vloed. Joop den Uyl en Barend Biesheuvel zijn al geschiedenis, voor Dries van Agt of Hans Wiegel zal het niet zo lang meer duren. Tegenwoordig is de nationale vergaderzaal een ruimte met strenge schotten. Het kabinet keurig op zijn plaats in vak K. Het recht van overpad zoals Toussaint en zijn collega’s zo frequent benutten, geldt er niet. De lenzen zijn navenant een stuk langer geworden.

De Tweede Kamer van Dolf Toussaint was in de eerste plaats een mannenaangelegenheid. Veel driedelig en niet optimaal gesneden kamgaren rond welgedane leden. Bijna altijd een stropdas om de gevulde nek, die van een enkele linkse journalist of staatssecretaris uitgezonderd. Kortom, nog heel erg veel een sociëteit en nog heel erg weinig van een hedendaagse lounge om te chillen. De jonge klare mogen we binnen handbereik vermoeden en achter het groene gordijn gebeurt van alles. Roken mag dan al niet overal meer maar in de wandelgangen hangt de geur van tabak.
De oude vergaderzaal oogt op de foto’s van Toussaint soms als een samenzijn van lustige vrienden. Maar geen misverstand. Er heerste een pikorde waaraan ook de schrijvende parlementaire journalistiek zich graag onderwierp. De ‘old hands’ hadden hun vaste zetel op de perstribune. Dat gaf hun wel een slok meer status dan hun broeders in de kunst buiten het Binnenhof. Wie als jong journalist in zijn onschuld waagde op de stoel van Abspoel (Algemeen Handelsblad) of Maltha (Algemeen Dagblad) plaats te nemen, maakte kennis met de oudtestamentische toorn van deze geduchte heren.
Het fotojournaille onttrok zich echter aan de beklemde mores. Dankzij hen deed de spijkerbroek zijn intrede en hoewel Dolf Toussaint nooit in een dergelijk kledingstuk is gesignaleerd, vertoonde zijn optreden altijd anarchistische aspecten waarin het reglement van orde van de Kamer niet voorzag. Dat is te merken aan zijn foto’s, aan wat de cameralens van zijn baasje te doen kreeg

De foto’s van Toussaint zijn niet ‘mooi’ in een eng esthetische betekenis van het woord. Het idee van een compositie in balans is vaak ver te zoeken. De mannen kibbelen met elkaar. Pas als er een vrouw verschijnt, Nel Barendregt, Haya van Someren, Anneke Goudsmit of de freule is er ruimte voor twee tellen rust, daarna is het weer hoog tijd voor hernieuwde hanendrift. Maar oorlog zal er nooit uitbreken op of tussen de bankjes in een zaal waar ooit het menuet werd gedanst of de quadrille. Er is daar nooit een fotograaf op een mijn gestapt. Een vallende strijder bij Córdoba is een anders geaard doelwit dan het bejaarde echtpaar Drees per verkiezingsautobus door een binnenstad. Maar één ding leed nooit twijfel: Dolf Toussaint was altijd ‘close enough’. Robert Capa zou niks te klagen hebben als hij Toussaints foto’s zag.

De beeldtaal is voorgoed veranderd sinds Toussaint zijn foto’s van politici en hun entourage maakte. Het zijn nu Nerveuze pixels (naar de titel van een recent boek over digitale fotografie van de Vlaming Johan de Vos) die de dienst uitmaken. Fotograferen is definitief een druk op een knop geworden. Met de digitale camera of het geavanceerde mobieltje is voortaan iedereen een potentiële fotograaf. Niet gelukt, dan doen we het nog een keer. We kijken nu niet meer naar het ‘leven van de anderen’, of dat nu politici, sporters, demonstranten of slachtoffers van natuurrampen zijn, we kijken meestentijds liever naar onszelf.

En dan nog dit: naar foto’s van vroeger kijken, zelfs al zijn ze nog niet verschrikkelijk oud, leidt gemakkelijk tot verkeerde conclusies. Wij weten, inmiddels dertig jaar of langer later, hoe het verder met de stad en de wereld is gegaan. Kijk je naar de foto’s van Dolf Toussaint dan voel je bijna tastbaar de wrijvingswarmte die een behouden praathuis behaaglijk maakte.
Met scherpe waarnemers als Dolf Toussaint kan de archeologie van ons nog prille parlementair verleden aan de slag. Hij was altijd heel dichtbij en keek ernaar. Bijna met zijn neus er bovenop als zijn camera diezelfde neus hierbij niet in de weg had gezeten.


( Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken )


(Dit is een bewerkte versie van een artikel in het boek Dolf Toussaint Politiek Fotograaf dat verscheen t.g.v. de exposities in november 2009 met diens werk in de Tweede Kamer, het Haagse Stadhuis en Internationaal Perscentrum Nieuwspoort)


 
< Vorige   Volgende >