De wetenschap als opperpriester  

 

Dit najaar verschijnt een vuistdikke dubbelroman van mijn hand – mijn zesde en zevende. Titel: De zegen van weemoed. Volgens de flaptekst gaat het over een bizarre familiekroniek van bijna een eeuw en zo is het ook, inclusief twee wereldoorlogen en een tragische liefde. Maar enigszins verscholen staat dat het ook over de toekomst gaat.

 

Over de visie van de protagonist op de toekomst van de maatschappij onder regie van de wetenschap, ga ik hier iets verklappen.

 

Pieter Fransman, de hoofdpersoon, noemt in een brief aan zijn kleinzoon de wiskunde een merkwaardige onmenselijke wetenschap. Volgens hem is het een systeem dat geheel op basis van eigen spelregels wordt gestuurd en los staat van de waarneembare werkelijkheid. Een systeem dat bovendien haar eigen spelregels overtreedt. De belangrijkste spelregel is dat alles bewijsbaar moet zijn. Iedere stelling die voortkomt uit een vorige bewezen stelling moet op haar beurt weer controleerbaar bewezen zijn. Alleen wordt deze harde consequentie, die ons vertrouwen inboezemt, want sjoemelen is dus niet mogelijk, aan het begin van de opeengestapelde bewijzen met voeten getreden. Uitgangspunt van deze piramide is namelijk een aantal onbewezen stellingen die axioma’s worden genoemd.Wat hij een formidabel onmenselijk systeem noemt is dus gebaseerd op menselijke intuïtie.

 

Op basis van die abstracte denk- en rekenmethode zijn vrijwel alle dingen gemaakt. Zonder wiskunde geen bruggen, stofzuigers, vliegtuigen en ga zo maar door. Ook geen computers, algoritmen, kunstmatige intelligentie en zelflerende intelligentie. Zo blijkt de wiskunde, volgens Pieter Fransman een inherent onmenselijk systeem zonder ethiek, empathie, nuances en twijfels, het fundament te vormen van onze moderne consumptie maatschappij.

 

De grondslag van de moderne op wiskunde gebaseerde informatie technologie wordt gevormd door de dominante rol van de wetenschap, gecombineerd met kapitaal. Zonder het kapitalisme geen informatietechnologie. Dat kapitaal komt van banken, multinationale bedrijven en het leger. En natuurlijk van bepaalde overheden die banken, bedrijven en militairen aansturen.

 

De opkomst van de macht van het kapitaal loopt parallel met die van de wetenschap. Politieke leiders van links en rechts prediken het belang van de wetenschap in combinatie met het kapitalisme als het nieuwe geloof. Meestal wordt voor kapitalisme het eufemisme vrije markteconomie gebruikt, maar in feite is er van vrijheid weinig sprake omdat marktkrachten met succes streven naar monopolies, kijk maar naar Apple, Google en Facebook.

 

‘Rijkdom voor iedereen’ verving ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ als leidend adagium. Wiskunde werd in dat materialistische proces de cruciale techniek, waardoor de exacte wetenschap in haar algemeenheid tot hoogste vorm van kennis werd gepromoveerd. Daarmee had zij de religie en de filosofie achter zich gelaten.

 

Volgens Fransman heeft de mensheid zich onder invloed van de wiskunde ontwikkeld van heerser over dingen tot volger, zelfs tot slaaf, daarvan. Dat komt volgens hem door het gebruik van wiskunde in de menswetenschap economie. De economie is een menswetenschap omdat zij zich bezighoudt met het gedrag van mensen in de materiële maatschappij. Onder invloed van het kapitalistisch materialisme werden de dingen die mogelijk werden gemaakt door de wiskunde niet meer als hulpmiddelen ten behoeve van de mensen beschouwd maar als na te streven bezit, werden de economen, die op basis van wiskundige berekeningen beweerden te weten hoe dat bezit verkregen kon worden en vooral vermeerderd, de nieuwe hogepriesters die de wet voorschreven aan producenten van dingen, aan banken en aan regeringen. Maatschappelijk doel werd economische groei, en vermeerdering van het materiële bezit.

 

Inmiddels had de wiskunde zich genesteld in de financiële wereld. Niet alleen door bliksemsnelle wereldwijde financiële transacties mogelijk te maken, maar ook door de transacties zelf te automatiseren. Menselijke ingrepen werden vervangen door algoritmen. Daarmee werden de bankiers en financiers van de dingen en van regeringen de machtigsten op aarde. Hun hogepriesters waren de economen. Zij hadden de plaats ingenomen van pausen, presidenten, filosofen en dichters.

 

Eén van de gevolgen van deze ontwikkeling was de adoratie voor cijfers. In alle maatschappelijke sectoren, zoals politiek, bedrijfsleven, educatie, gezondheidszorg, sport, kunst en amusement, werden cijfers de maatstaf aller waarden. Daardoor ontstond het wedstrijdelement als methode om waarde te bepalen. De duurste schilderijen werden beschouwd als de hoogste kunst, de meest bekeken programma’s als de beste, de rijkste bedrijven als het meest begerenswaardig voor beleggers, de grootste ziekenhuizen en de grootste scholen als de beste ziekenhuizen en scholen.

 

Het loutere aantal werd het belangrijkste criterium ter beoordeling van de waarde. Het gevolg hiervan was dat het kapitaal trok naar de hoogste score. Daardoor werden de grootste sportclubs steeds groter en de kleinere navenant kleiner, de duurste schilderijen steeds duurder en de goedkopere steeds goedkoper of zelfs absent, de grootste bedrijven steeds groter en de rijkste politici steeds machtiger. Op deze manier werden banken en financiers steeds rijker, waardoor hun macht groter werd. Sectoren die in staat waren hoge aantallen te genereren werden machtiger, zoals bijvoorbeeld populaire televisieprogramma’s met hoge

kijkcijfers. Zij beïnvloedden op hun beurt weer bepaalde sporten en kunsten, waardoor andere weer aan belang inboetten. Een nooit eindigend proces, geheel veroorzaakt door cijfers.

 

Zo heeft de wiskunde, volgens mijn protagonist de meest inhumane, non-ethische wetenschap, steeds meer een bepalende invloed op de maatschappij, de mensen en de toekomst. De kans dat zij die ooit af zal staan is onwaarschijnlijk omdat zij ook aan de knoppen zit van de ontwikkelingen van nieuwe technologieën en dus altijd de zachte krachten, empathie, nuances en twijfels, bij uitstek humane eigenschappen, zal overheersen.

 

Tot zover Pieter Fransman.

 

Vraagt u nu aan mij wat ik er zelf over denk dan geef ik als antwoord wat ik als boodschap aan de lezer in mijn nieuwe dubbelroman heb meegegeven.

 

Dit verhaal is fictie, een verzinsel, gemaakt van taal.

Ik ben dus niet de verteller in dit verhaal.

Maar als ik iets ben, is het dit verhaal.

————————————

Tekst van een voordracht gehouden op 27 mei 2018 tijdens het programma Kamera Kultura in het Nutshuis Den Haag.

Deel dit berichtShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Email this to someone
Theo Monkhorst

Theo Monkhorst

Theo Monkhorst was journalist, politiek adviseur, politicus en columnist. Sinds 2005 heeft hij vijf romans, vier bundels gedichten, een bundel vertaalde poëzie, twee toneelstukken en een groot aantal columns en korte stukken gepubliceerd. Hij werkt aan een nieuwe roman en nieuwe gedichten
Theo Monkhorst

Latest posts by Theo Monkhorst (see all)

Over Theo Monkhorst

Theo Monkhorst was journalist, politiek adviseur, politicus en columnist. Sinds 2005 heeft hij vijf romans, vier bundels gedichten, een bundel vertaalde poëzie, twee toneelstukken en een groot aantal columns en korte stukken gepubliceerd. Hij werkt aan een nieuwe roman en nieuwe gedichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>