Europese Unie werkt in feite al zoals Baudet het wil  

 

De manier waarop de EU besluiten neemt is niet de uitkomst van wat in de Brusselse bureaucratie wordt bedacht, zoals Forum voor Democratie stelt, maar waarmee de regeringsleiders instemmen.

De tijden zijn wel eens beter geweest voor Thierry Baudet, de man die met zijn partij Forum voor Democratie voor het eerst deelneemt aan de Europese verkiezingen. Werd de Europese Unie nog niet zo lang omschreven als een fort dat zich zowel naar binnen als naar buiten hautain gedroeg, nu lijkt het op een belegerde veste die van alle kanten wordt bedreigd. Door China, door Rusland, maar ook door de Amerikanen die vanaf het prille begin gangmakers van de Europese samenwerking zijn geweest. Het is nu dus alle hens aan dek voor Europa. Nooit was het zo duidelijk dat we in ons eentje niks vermogen tegen de bedreigingen die van deze boven genoemde landen uitgaan. Dat begrijpt Baudet natuurlijk ook en daarom heeft hij zijn wens voor een Nexit schielijk op een zeer laag pitje gezet. Daarnaast hebben de Britten tot hun schade ervaren dat het raderwerk van de ene geïntegreerde Europese markt zo complex is dat het alleen maar tegen een zeer hoge prijs ontrafeld kan worden en de winst van zo’n Brexit door nieuw op te stellen handelsakkoorden alleen maar lager uit kan vallen.

Natuurlijk is de vraag terecht of de Europese Commissie niet in zijn hervormingsvoorstellen te ver voor de troepen vooruit loopt en de regelgeving van Brussel en de controle daarop van het Europese Hof op bepaalde terreinen niet te ver is doorgeschoten. Als het over de begin jaren negentig opgetuigde gemeenschappelijke markt gaat, valt dat moeilijk aan te tonen. Alle landen van de EU hebben daar sterk gebaat bij gehad. Uit de meest recente Eurobarometer blijkt dan ook dat twee derde van de Europese burgers het nut van het lidmaatschap erkent.

Het is echter de niet goed uitgewerkte monetaire samenwerking, in casu de euro, die ons in grote problemen heeft gebracht. Ze kan alleen voorkomen worden door nauwere regelgeving om de bestaande risico’s af te dekken. Daar is bijvoorbeeld een begin mee gemaakt met de bankenunie, die onder striktere controle van de Europese Centrale Bank is gebracht en door een bescheiden nieuw Europees Fonds, dat de sterk uiteenlopende economische prestaties van de Europese landen meer op elkaar laat aansluiten. Die solidariteit heeft een prijs, maar wordt ze niet betaald dan kan het hele Europese project alsnog op de tocht komen te staan.

Soevereine staten

Keren we terug naar de kritiek van Baudet op het Europese samenwerkingsmodel. Uiteraard is hij niet tegen samenwerking an sich in Europa, dat zou ronduit dwaas zijn. Samenwerking moet in zijn ogen echter geschieden tussen soevereine staten. Dit was ook het idee van De Gaulle in de jaren zestig. Hij was voor het Europa der staten. De Britten dachten er al net zo over, voordat zij begin jaren zestig aansluiting zochten bij de EEG. Churchill maakte als een der eersten de Europese landen na de oorlog enthousiast voor Europese samenwerking en dacht dat het model van het Britse Gemenebest daarvoor zou kunnen dienen. Dat had een bescheiden secretariaat in Londen dat overeenkomsten tussen de dominions coördineerde. Maar veel had het niet om het lijf. Toen de Franse economie aan het eind van de jaren veertig in puin lag, kon alleen een vergaand verbond met de Duitse buren uitkomst brengen. Daarvoor bleek een overkoepelend gezag onmisbaar. De Fransen hadden zoals bekend behoefte aan het Duitse staal en de Duitse kolen. Ook voor Nederland was dat niet onbelangrijk. Zo kon de Europese Kolen- en Staalgemeenschap (EGKS) ontstaan. Zij functioneerde onder een Hoge Autoriteit waarin de zes deelnemende landen (naast Frankrijk, Duitsland en Nederland hadden ook België, Luxemburg en Italië zich daarbij aangesloten) vertegenwoordigd waren. Het was het eerste supranationale gezag dat in het kader van de Europese samenwerking werd geïntroduceerd. Het leverde in zekere zin het model (en werd daarin later opgenomen) voor de gemeenschappelijke markt (waarvoor de Nederlandse minister Johan Beyen in de jaren vijftig het beslissende voorwerk leverde – zonder hem was die markt niet tot stand gekomen.)

Maar terwijl in de EGKS het hoogste gezag werd uitgeoefend door de Hoge Autoriteit (die op zijn vingers werd gekeken door een parlementaire assemblee van de zes landen en die bevoegd was deze autoriteit naar huis te sturen) kwam het hoogste gezag in de Europese Economische Gemeenschap te liggen bij de intergouvernementele Raad van Ministers van de Zes en in enkele gevallen zo nodig bij de staatshoofden als de materie daar om vroeg. Zij namen de beslissingen. In de tweede helft van de jaren tachtig werd hun rol overgenomen door de Europese Raad van regeringsleiders. Alle plannen die de Europese Commissie als initiërend orgaan lanceerde, moesten de unanieme steun krijgen van de regeringsleiders of van hun gedelegeerde ministers. Ieder van hen kon nog altijd zijn veto uitspreken, ook al is de ruimte daarvoor in het Verdrag van Lissabon beperkt. Maar het is nog steeds zo dat de intergouvernementele raad bij welke besluitvorming dan ook in de Europese Unie prevaleert.

In vergelijking daarmee heeft het Europees Parlement nog steeds maar een klein vingertje in de pap. De rechtvaardiging van dit parlement is natuurlijk dat de uitvoerende macht nu eenmaal gecontroleerd moet worden door een wetgevende macht. Dat parlement heeft weliswaar als belangrijkste recht het goedkeuren van de begroting, maar daarvoor houden de toonaangevende partijen nauwe voeling met hun vertegenwoordigers in de intergouvernementele raden. Afsluitend is het Europese Hof van Justitie er voor dat de overeengekomen spelregels, voornamelijk alleen betrekking hebbend op het eerlijk functioneren van de gemeenschappelijke markt, ook daadwerkelijk worden nageleefd.

De politicoloog Luuk van Middelaar heeft nu recent uitgerekend dat de Europese leiders tussen 1961 en 1973 slechts zes keer bij elkaar kwamen. Maar in de nieuwe eeuw is het aantal samenkomsten niet alleen van de regeringsleiders, maar ook van raden van vakministers van financiën of van landbouw explosief toegenomen. Ze moeten ook wel, want naast de gebruikelijke regelgeving die door hen geaccordeerd moet worden zijn het vooral onverwachte gebeurtenissen waarop de EU moet regeren. Zoals nu bijvoorbeeld bij de Brexit. De regeringsleiders vormen samen het presidentschap van Europa, aldus Van Middelaar.

Deze vorm van besluitvorming zou ook Baudet moeten aanspreken. De Europese Unie fungeert als een unie van staten, niet als een zelfstandige supranationale bureaucratie in Brussel waarnaar de Europese landen slechts hebben te luisteren zoals Baudet het voorstelt. Hij is, zoals gezegd, geen voorstander van een supranationaal gezag, voor hem belichaamd in de Brusselse bureaucratie, maar voor internationale samenwerking en besluitvorming. Dit wordt nu juist zichtbaar in dat Europese presidentschap. Kortom, zijn eurosceptische kritiek wordt in feite volledig ondervangen in de manier waarop de Europese unie daadwerkelijk functioneert.

 

 

 

Deel dit berichtShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Email this to someone
Paul van Velthoven

Paul van Velthoven

Paul van Velthoven is freelance journalist en schrijft vooral over politieke en religieuze onderwerpen. Hij was chef van de opiniepagina van de Haagsche Courant en daarvoor onder
meer redacteur geestelijk leven bij dagblad Het Binnenhof. Hij publiceerde een studie over de Franse denker Raymond Aron. Onlangsverscheen van hem ‘Franstaligen tegen Vlamingen –Hoe België als natie mislukte’.
Paul van Velthoven

Over Paul van Velthoven

Paul van Velthoven is freelance journalist en schrijft vooral over politieke en religieuze onderwerpen. Hij was chef van de opiniepagina van de Haagsche Courant en daarvoor onder meer redacteur geestelijk leven bij dagblad Het Binnenhof. Hij publiceerde een studie over de Franse denker Raymond Aron. Onlangs verscheen van hem ‘Franstaligen tegen Vlamingen – Hoe België als natie mislukte’.