| Bezwaren tegen euro waren bekend |
| Paul van Velthoven | |
| vrijdag 06 januari 2012 | |
|
Anders dan de oprichting van de Europese markt aan het begin van de jaren negentig was de creatie van de euro een politiek project. Tien jaar na het ontstaan van de Europese eenheidsmunt moet worden erkend dat economische integratie vooraf had moeten gaan aan financiële. De stemmen die daar destijds voor pleitten werden overstemd door vrijwel alle politici. Nu zullen de economisch zwakste landen de sterkste moeten bijbenen om de euro te kunnen behouden. Toen bondskanselier Kohl kort na de val van de Muur in november 1989 zijn westerse bondgenoten meedeelde dat hij uit was op de hereniging van Duitsland, confronteerde president Mitterrand hem met een oud verlangen van Frankrijk: de vorming van een monetaire unie. Al heel kort na het ontstaan van de economische samenwerking in Europa in de jaren vijftig dreigde het waardeverschil tussen mark en frank roet in het eten te gooien. Voor de Fransen was het van meet af aan duidelijk dat zij de economische kracht van Duitsland nooit konden evenaren. Om hun hegemonie in het naoorlogse Europa te behouden, hadden ze niet alleen behoefte aan een eigen atoomwapen, maar ook een gemeenschappelijke munt. De mark, die zich dank zij het Duitse Wirtschaftswunder als een bijzonder sterke munt ontwikkelde, zou daarmee onttroond worden. Als prijs voor de Duitse eenwording – die met name de Fransen met zeer gemengde gevoelens bezagen - , beloofde Kohl dat zijn land zich door middel van een muntunie vast zou verankeren in de Europese samenwerking. Twee jaar later, in 1991, werd in het verdrag van Maastricht aldus besloten. Deze voorgeschiedenis bewijst dat de EMU, de Europese Monetaire Unie, anders dan de eerder tot stand gebrachte ene Europese markt, in de eerste plaats een politiek project was. Dat was bepaald niet naar de zin van de machtige Duitse Bundesbank, de trotse bewaker van de Duitse mark. In het jarenlange debat tussen economisten en monetaristen stond de Buba altijd ferm aan de kant van de economisten. Nu dolven zij het onderspit. De economisten hadden steeds betoogd dat de economieën met behulp van allerlei maatregelen naar elkaar moesten toegroeien. De gemeenschappelijke munt zou de kroon op dit werk moeten worden. Als goed voorbeeld konden zij wijzen op de dollar in de Verenigde Staten. De Amerikaanse federatie was pas na de Burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden naar de huidige dollarmunt gegroeid. Daarvóór gaven al die staten dollarbiljetten met verschillende waarden uit, die even zovele bewijzen waren van de ongelijkheid in economische kracht van die staten. In het Europa van de jaren negentig wonnen de monetaristen echter het pleit. Zij hadden de invoering van een gemeenschappelijke munt altijd als een louter technische kwestie opgevat. Het primaat zou moeten liggen bij de politiek. Frankrijk, waar de monetaristen altijd de economische deskundigen wisten te overstemmen, zou zijn economische zwakte kunnen compenseren met een expansieve politiek waarvoor de eenheidsmunt kon worden ingezet. De monetaristen hadden bovendien in die jaren het tij mee. In 1993 stortte het Europese Monetaire Systeem, dat sinds 1979 had gefunctioneerd en voorzag in een flexibele bandbreedte tussen de munten van de belangrijkste landen van de Europese Unie, in onder het geweld van de speculanten. Eens en voor altijd moest hen de pas worden afgesneden, zo werd gezegd. Vergeten werd dat deze speculanten hun gang konden gaan omdat de munten in dit EMS werden overgewaardeerd. De politici stelden dat de euro de werkloosheid zou tegengaan, zorgen voor een lage rente en een versterkte economie. Objectieve instanties als de OESO stelden dat de voordelen van die munt betrekkelijk waren. De economieën van de Europese landen zouden zich nog altijd sterk verschillend kunnen ontwikkelen, waarbij vooral de kloof tussen noord en zuid opviel. Het belangrijkste voordeel was dat de transactiekosten in het geldverkeer zouden verdwijnen, zo beargumenteerde de OESO. De nadelen werden welbewust verontachtzaamd, zoals Andrè Szász, directeur internationale monetaire zaken bij de Nederlandse bank, in zijn boek over het ontstaan van de euro heeft laten zien. Zwakke landen werden in een ijzeren keurslijf geperst. Een eigen geldbeleid voeren binnen de nationale economie verdween. De voornaamste veiligheidsklep, devaluatie van hun eigen munt om hun economische positie te verbeteren, werd hen ontnomen. De zwakke landen staan nu voor de zware taak de meest kapitaalkrachtige landen (Duitsland, Nederland, Finland) bij te benen, zoals de Griekse crisis bewijst. |