Frans Kok
De vierjaarlijkse kunstcarrousel loopt bijna ten einde. De subsidies zijn weer verdeeld. De een kijkt sip, de ander blij, maar het meeste blijft bij het oude. De Haagse gemeenteraad spreekt binnenkort het laatste woord. Dat is terecht. Tenslotte beheert die ons belastinggeld en heeft, als het goed is, ook een afgewogen visie op het te voeren cultuurbeleid. Toch is de raad, en in sterkere mate de wethouder, huiverig om van die bevoegdheid voluit gebruik te maken. De oorzaak daarvan is terug te voeren op een incident van bijna 25 jaar geleden.
De prestigieuze P.C. Hooftprijs 1984 was door de jury toegekend aan Hugo Brandt Corstius voor zijn gehele oeuvre. Deze schreef tevens onder het pseudoniem Stoker elke dag venijnige stukjes in de Volkskrant, waarbij bewindslieden niet werden ontzien. Op voorstel van minister van cultuur Brinkman, besloot het kabinet daarom hem de prijs te weigeren.
De Kamer steunde dit besluit, maar tijdens het debat bleek wel dat niemand erg gelukkig was met een overheid in de rol van censor. Beter was het, in de geest van Thorbecke om het inhoudelijke oordeel over kunst en cultuur op afstand te plaatsen. De kunstadviescommissies waren geboren.
In Den Haag was dat ditmaal de commissie Verploeg. Die heeft goed werk afgeleverd. Beter dan in Rotterdam, waar de commissie Pietje Bell imiteerde en ook beter dan Amsterdam, waar de kunstbobo’s elkaar angstvallig de hand boven het hoofd hielden. Verploeg c.s. schuwde kritiek niet, ook niet op gevestigde instellingen als het Residentie Orkest, Theater Branoul of het Korenhuis.
Toch pleit ik ervoor dat adviescircus af te schaffen. De politiek moet gewoon zijn verantwoordelijkheid nemen en zich niet verschuilen achter een advies van ad hoc professionals. Dat betekent niet dat de politiek in de fout van Brinkman moet vervallen en moet subsidiëren wat mooi of welgevallig is, en schrappen wat lelijk of rebels is. De politiek, met name de wethouder moet een visie ontwikkelen en dan zelf toetsen, gesteund door de adviezen van haar ambtenaren of een subsidie-aanvraag daaraan voldoet. Dat is haar taak.
Een commissie als die van Verploeg, met externe deskundigen die de Haagse cultuurwereld niet kennen en aan wie de tijd ontbreekt alle kunstinstellingen te bezoeken, heeft weinig toegevoegde waarde. Men beperkt zich noodgedwongen tot het lezen van de dikke subsidie aanvragen. Een gefundeerd inhoudelijk oordeel is in die korte tijdspanne vrijwel onmogelijk.
Beter is het een permanente visitatiecommissie in te stellen, die regelmatig voorstellingen bezoekt en kritische vragen stelt aan de zakelijke en artistieke leiding. Dat voorkomt tevens ook dat instellingen een blanco cheque ineens krijgen en gemakzuchtig vier jaar lang achterover kunnen leunen.
Laat de wethouder, samen met de raadscommissie cultuur, zelf de vinger aan de pols houden. Niet om zich met de inhoud te bemoeien, maar wel om iedereen bij de les te houden en te zorgen dat het Haagse cultuuraanbod scherp en fris blijft.
|