Kleurenblinden zijn niet zielig maar wel boos
Theo Monkhorst   
zondag 26 juli 2009
Er is grote aandacht voor mensen met een handicap in ons land. We kunnen de tv niet aanzetten of iemand vertelt zijn verhaal. Toch wordt met honderdduizenden gehandicapten weinig of geen rekening gehouden. Eén daarvan is de schrijver van dit stukje. Hij is kleurenblind, althans hij kan het onderscheid tussen rood en groen, tussen paars en blauw en tussen groen en bruin meestal niet zien. Voor hem is de wereld grijzer en gaat veel informatie verloren. Het wordt tijd dat eens rekening wordt gehouden met mensen die geheel of gedeeltelijk kleurenblind zijn.

Kleurenblindheid is sinds de 18e eeuw een onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. In 1789 was het de kleurenblinde wetenschapper Dalton die er de eerste serieuze studie aan wijdde. Sindsdien is de kennis van dit veelal erfelijke verschijnsel belangrijk vergroot en is bekend dat de oorzaak ligt in het niet goed werken van één van de drie typen kegeltjes die naast de staafjes één van de twee lichtgevoelige cellen in het netvlies zijn.

Hoeveel mensen in Nederland aan gehele of gedeeltelijke kleurenblindheid lijden is niet geheel duidelijk. Sommigen spreken van 1,3 miljoen Nederlanders, anderen van 700.000, sommigen zeggen 8 procent van de mannen en 0,5 procent van de vrouwen, weer anderen 1 op de 11 blanke mannen en 1 op de 12 mannen. De meeste wetenschappelijke studies zijn verschenen in het Engels, in het Nederlands is sprake van enkele boekjes, die vooral betrekking hebben op testen. De meest uitgebreide website is een particulier initiatief (www.kleurenblindheid.nl) , maar die bevat geen sociologische of economische gegevens. Er is één vereniging van kleurenblinden, AchroNed, die zich echter alleen maar met volledig kleurenblinde mensen bezig houdt (20 volwassenen en 20 kinderen in Nederland).

Op een enkel gebied heeft de overheid rekening gehouden met dit gebrek. Zo is de elektrische draad die voor de aardleiding zorgt altijd tweekleurig zodat hij kan worden onderscheiden van de andere bruine en blauwe draad (voorheen rood en groen, wat moeilijk te onderscheiden was voor de kleurenblinde electricien). De Belgische regering heeft de kleuren van het rood en groen in stoplichten enigszins aangepast. Maar in het buitenland moet de kleurenblinde zich behelpen met het onderscheiden van boven (rood) en onder (groen).

Op zichzelf is het kenmerkend voor het gebrek aan aandacht voor deze handicap dat de informatie zo gebrekkig is en dat er geen belangengroep zich opwerpt om de belangen van gedeeltelijk kleurenblinden te verdedigen.
Voor veel mensen die met kleuren te maken hebben is deze handicap een lastige kwestie. Denk aan schilders, architecten, mode ontwerpers, docenten aardrijkskunde en vele anderen. Ik zelf heb er ervaring mee toen ik in mijn jonge jaren mode journalist was. Ik vroeg altijd standaard aan mijn collega’s ‘hoe zou jij die kleur noemen?’ en ben zo de twee jaar dat ik dat beroep uitoefende ongemerkt door gekomen.

Gedeeltelijke kleurenblindheid is geen ramp, zo is mijn ervaring en misschien is dat ook de reden dat er zo weinig aandacht voor is. Toch is dat onterecht. Met name voor wat betreft kleurindicaties in media (kranten, tijdschriften, internet) en op de verpakking van producten. Zo is bijvoorbeeld ieder kaartje in een krant of tijdschrift voor mij onbruikbaar en hetzelfde gaat op voor de vele grafieken die we gepresenteerd krijgen en die vaak essentieel zijn om het bijbehorende artikel te kunnen lezen.
Het is toch merkwaardig dat de redacties van al die media, waarbij toch ook kleurenblinden moeten zitten, geen oplossing voor deze problemen bieden. Iets wat niet zo moeilijk is. Door bijvoorbeeld het rood van zwarte stipjes te voorzien en andere kleuren van schuine, rechte of andersoortige streepjes, kunnen ook mensen met een verminderd kleuronderscheidend vermogen de kaarten en statistieken lezen.

Ik pleit er dus voor dat de redacties van tijdschriften, kranten, tv programma’s en internet sites en verder alle ontwerpers van kleren, interieurs, industriële voorwerpen en verpakkingen, zich eens gaan verdiepen in het feit dat al de moeite die ze doen om met kleuren te communiceren voor tussen de 700.000 en een miljoen Nederlanders verspilde moeite is. Want zij zijn gehandicapt, dat wil zeggen: alles behalve zielig maar wel boos.