| Oppositie in kwestie Irak wereldvreemd |
| Paul van Velthoven | |
| dinsdag 19 januari 2010 | |
|
De PvdA is blijkens uitlatingen van Wouter Bos bereid het kabinet-Balkenende op te blazen, als dit niet instemt met de conclusies van het rapport-Davids. De oppositie gedraagt zich wereldvreemd, want politici hebben juist een eigen verantwoordelijkheid in internationale aangelegenheden De schriftgeleerden hebben gesproken. Met een beroep op het volkenrecht heeft de commissie-Davids geconcludeerd dat het toenmalige kabinet-Balkenende dat recht bij het politiek steun verlenen aan de Amerikaans-Engelse invasie in Irak heeft geschonden. De commissie heeft echter aan de discussie over het volkenrechterlijk mandaat slechts kracht bijgezet aan een papieren werkelijkheid, die weinig van doen heeft met de internationale politieke realiteit. Des te wonderlijker is dan ook te moeten constateren hoe vrijwel alle Haagse politici hun eigen rol verloochenen en zich als lemmingen op dit rapport storten, het omhelzen en zo eens te meer hun eigen wereldvreemde werkelijkheid creëren. Het punt is dat dit volkenrecht op zwakke fundamenten rust. Ondanks de schijn van het tegendeel kan het qua geldingskracht geenszins de vergelijking doorstaan met het recht binnen de staten zelf. Dit uiterst wezenlijke verschil, dat alles uitmaakt voor de zeggingskracht van het volkenrecht, blijft nu in de discussie ten ene male onderbelicht. De westerse staten zien zichzelf als rechtstaten, waar politiek en recht gescheiden zijn. Er is in die staten een hoogste rechtsinstantie waaraan iedere burger zich heeft te onderwerpen, de politicus niet uitgezonderd. Over de legitimiteit van dat rechtsorgaan is geen discussie mogelijk. Bij verschillende interpretaties van het recht is het hoogste rechtsorgaan bevoegd een uitspraak te doen. In internationaal verband bestaat een dergelijk equivalent niet. Er bestaat geen superorgaan dat staten terecht kan wijzen en bij verschillende interpretaties van het volkenrecht de juiste interpretatie kan opleggen. Zie de discussies over wat het volkenrecht in de onderhavige kwestie behelst. Het volkenrecht bestaat slechts bij de gratie van de welwillendheid van de staten om zich er aan te houden. Immanuel Kant droomde ruim twee eeuwen geleden in zijn beroemde dictaat Zum Ewigen Frieden al over een Weltrepublik waarin een hoogste rechtsinstantie de macht bezat over het gedrag van andere staten te oordelen. Maar zo’n macht zou alleen door een oppermachtige staat kunnen worden uitgeoefend. En daar zullen grote landen zich nimmer aan willen onderwerpen. In hun onderlinge verhouding tussen de staten heerst daarom vaak nog de wet van de jungle, ook al is het zeker waar dat bijvoorbeeld de westers georiënteerde staten zich vandaag de dag in hun onderlinge relaties door allerlei rechtsbeginselen laten leiden. Daar is duidelijk van grote vooruitgang sprake. De internationale organen die in de twintigste eeuw werden opgericht om de oorlog uit te bannen zoals de Verenigde Naties na de Tweede en zijn voorganger de Volkenbond na de Eerste wereldoorlog, zijn daarin echter jammerlijk mislukt. Het is nog steeds zo dat wijze politiek eerder dan recht grote conflicten heeft weten te ontzenuwen. Het bestaande internationale recht is in de kern van de zaak nog steeds het recht van overwinnaars, neergelegd in verdragen na afloop van grote conflicten. Dat gold voor de Volkenbond, die het verdrag van Versailles bekrachtigde en daarmee Duitsland alle schuld in de schoenen schoof voor het veroorzaken van de Eerste wereldoorlog. Met dit recht werd feitelijk de kiem gelegd voor een nieuwe wereldoorlog. Maar het recht dat belichaamd wordt in de Verenigde Naties kan evenmin los gezien worden van het voorgaande conflict. Ook dit recht beantwoordt allerminst aan het idee van Kant. Naar de letter zijn, zoals het handvest van de Verenigde Naties plechtig verordonneert, alle daar vertegenwoordigde staten gelijk aan elkaar. Alle staten hebben slechts een stem. Maar in het hoogste orgaan van de Verenigde Naties, de Veiligheidsraad die moet beslissen over oorlog en vrede bij conflicten tussen staten, zetelen bepaald niet verrassend de voormalige geallieerden, de overwinnaars van nazi-Duitsland en zijn bondgenoten. Ze beschikken over het vetorecht om besluiten van de Veiligheidsraad ongedaan te maken. Zij zijn dus meer gelijk dan de andere lidstaten en alleen wanneer zij gelijk gestemd zijn kan de raad een besluit nemen over het voeren van een oorlog. En dat zijn ze zoals de naoorlogse praktijk heeft bewezen, vrijwel nooit. Daarbij is het een gelukkige omstandigheid dat een aantal van die groten, de voormalige westerse geallieerden, binnenshuis rechtstaten kunnen worden genoemd en dit soms, maar zeker niet altijd, ook in hun buitenlandse beleid laten blijken. Maar Rusland en China kunnen moeilijk voor rechtstaten doorgaan. Hebben zij zich ooit iets gelegen laten liggen aan de schending van de mensenrechten in Irak onder Saddam Hoessein? Moet hun houding dan mede aan de basis leggen voor de formulering van een volkenrechterlijk mandaat? Rusland en China redeneerden, zoals de groten natuurlijkerwijze steeds doen in termen van macht en invloed. Als grote staten wensten zij aan die andere grote staat, de Verenigde Staten en zijn bondgenoot Groot-Brittannië, afbreuk te doen. Dan was er nog een andere ooit machtige staat met nog steeds vetorecht, Frankrijk, die haar invloed in het Midden-Oosten niet wilde verspelen en ooit een atoomreactor had geleverd aan het bewind van Saddam Hoessein. Kortom, het waren machtspolitieke overwegingen van deze drie landen die er toe leidden dat de Veiligheidsraad in de Irakese kwestie niet met een mond kon spreken. Naar achteraf`bleek hadden de Amerikanen hun eigen agenda. De neo-conservatieven in de regering-Bush wensten alsnog het werk af te maken dat Bush sr. in de eerste Golfoorlog tegen Irak had laten liggen. Waar het recht ontoereikend is en feitelijk een groot vacuüm vertoont, komt automatisch de politiek in beeld. Het is begrijpelijk dat, zoals de Franse politieke denker Raymond Aron al wist, vooral kleine landen zweren bij het internationale recht. Het is het enige verweer dat ze hebben tegen de grote machtige landen en er zijn genoeg situaties in het verleden geweest waarin de groten jegens de kleinen hebben willen inschikken. Maar betreft het extreme situaties, zoals het geval Irak, waarin de belangen per definitie zeer groot zijn, dan heeft een beroep op dit gebrekkige volkenrecht weinig kans van slagen. In de maalstroom die toen ontstond was het weinig realistisch dat Nederland met een vanouds sterke Atlantische oriëntatie en een groot geloof in de traditioneel democratisch gestemde bedoelingen van de machtigste staat ter wereld, de VS, zich afzijdig zou opstellen. Door de nauwe banden zijn haar belangen immers ook de onze. Het zou hypocriet zijn het tegendeel te beweren. Tegelijkertijd gaf de Nederlandse positie ten tijde van het Irak-conflict van prudentie blijk, misschien wel de hoogste eis die men aan een land in de internationale politiek kan stellen. Nederland verbond zich niet militair aan de operatie in Irak. De oppositie in de Kamer, die zich destijds in meerderheid niet liet horen en de politieke steun aan de operatie in Irak niet betwistte, oordeelt nu met de wijsheid achteraf. Het zou van een wereldvreemd legalisme, ja van de groots mogelijke prinzipienreiterei getuigen als de PvdA onder leiding van Wouter Bos zich met een beroep op het rapport van de commissie-Davids nu bereid toont het huidige kabinet op te blazen. Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken www.paulvanvelthoven.nl |